Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 18 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:707
Feiten
Werknemer en de bestuurster van werkgever zijn in 2008 met elkaar gehuwd. In 2024 is een echtscheidingsverzoek ingediend. Per 1 maart 2019 is op schrift een arbeidsovereenkomst gesloten tussen werknemer en werkgever tegen een salaris van € 6.541 bruto per maand. Maandelijks werden bedragen overgemaakt aan werknemer vergezeld van loonstroken. Op de betalingen werden echter geen werknemerspremies ingehouden of afgedragen. Werknemer hoefde aanvankelijk niet in te klokken, er werden geen vakantiedagen bijgehouden en hij hoefde zich niet ziek te melden. Uit een interne mail van de controller van werkgever van 29 november 2022 bleek dat werknemer zijn functie naar eigen inzicht kon invullen, zonder controle of toezicht van de DGA. De constructie is volgens werkgever opgezet ten behoeve van de aankoop van een woning en het verkrijgen van een hypotheek. Werknemer en de bestuurster gedroegen zich feitelijk beiden als DGA, zo erkende de gemachtigde van werknemer zelf in correspondentie van november 2024 en maart 2025. Nadat de relatie tussen partijen verslechterde en een echtscheidingsprocedure werd gestart, begon werkgever instructies te geven aan werknemer over werktijden en het inklokken, en sommeerde hem later helemaal weg te blijven van de werkvloer. Werkgever stopte vervolgens met betalen. Vanaf 1 juli 2025 tot 1 november 2025 werden betalingen nog voortgezet onder de voorwaarde – neergelegd in een mail van 16 juli 2025 – dat werknemer een andere baan zou zoeken. Aan die voorwaarde voldeed werknemer volgens werkgever niet. Werknemer vordert in kort geding doorbetaling van het loon van € 6.541 bruto per maand vanaf november 2025. Hij stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met gezagsverhouding in de zin van artikel 7:610 BW. Werkgever vordert terugbetaling van de betalingen die zijn verricht over de periode 1 juli tot 1 november 2025, omdat werknemer niet heeft voldaan aan de voorwaarde om een andere baan te zoeken.
Oordeel
De kantonrechter wijst beide vorderingen af. Het spoedeisend belang van werknemer wordt erkend, nu hij mede afhankelijk is van loon voor zijn levensonderhoud. De processuele bezwaren van werknemer – inhoudende dat werkgever in strijd met de goede procesorde zou hebben gehandeld door het verweer over het ontbreken van een arbeidsovereenkomst pas laat in te brengen – worden verworpen, omdat werkgever zijn conclusie van antwoord tijdig heeft ingediend. Inhoudelijk oordeelt de kantonrechter voorshands dat de overeenkomst tussen partijen niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Geen van de drie betwiste elementen – arbeidsverplichting, loon als tegenprestatie en gezagsverhouding – is voldoende komen vast te staan. De arbeidsovereenkomst is vermoedelijk enkel opgesteld ten behoeve van hypotheekverstrekking. De maandelijkse betalingen hadden het karakter van een fiscale inkomensverdeling binnen het gezin en stonden bovendien in geen verhouding tot de feitelijk verrichte werkzaamheden. Van een gezagsverhouding was evenmin sprake: de instructies die werkgever gaf, vloeiden niet voort uit een werkgever-werknemerrelatie maar uit de spanningen rondom de scheiding. Partijen gedroegen zich feitelijk als gelijkwaardige bestuurders. De reconventionele vordering tot terugbetaling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Werkgever heeft niet gesteld waarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
