Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/MaasWonen
Hoge Raad, 20 februari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:157
Advocaat-generaal: i-grond vereist niet ten minste één bijna voldragen grond.

Feiten

Werknemer is op 16 april 2018 voor onbepaalde tijd bij de rechtsvoorganger van MaasWonen in dienst getreden. Hij werkte als manager Financiën & Bedrijfsvoering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Woondiensten van toepassing. Werknemer heeft begin 2022 een liquiditeitstekort niet tijdig gemeld waardoor een lening van een bank niet tijdig aan die bank kon worden afgelost. MaasWonen heeft werknemer hiervoor op 4 februari 2022 een officiële waarschuwing gegeven. Op 1 maart 2022 is een verbetertraject voor de duur van zes maanden gestart. Afgesproken werd dat werknemer voor het einde van dat traject een merkbare en structurele verbetering in zijn functioneren moest laten zien op  een aantal ontwikkelpunten.

Werknemer werd gedurende het traject begeleid door de directeur-bestuurder van MaasWonen, X. Zij zouden tweewekelijkse evaluatiegesprekken voeren die door MaasWonen schriftelijk zouden worden vastgelegd. De gesprekken zijn gevoerd maar niet schriftelijk vastgelegd. Werknemer heeft zich op 19 september 2022 ziek gemeld wegens burn-outklachten. Een jaar later, sinds 18 september 2023, was hij volledig hersteld. MaasWonen heeft werknemer met ingang van 17 november 2023 op non-actief gesteld.

Bij verzoekschrift van 6 februari 2024 heeft MaasWonen de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam verzocht, kort samengevat, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens disfunctioneren van werknemer als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW (hierna: de d-grond) en omdat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW (hierna: de g-grond). De kantonrechter wees het verzoek af. MaasWonen ging in hoger beroep en deed daarin subsidiair een beroep op de i-grond. Het hof wees het verzoek af voor zover gebaseerd op de d- en g-grond, maar het oordeelde ook dat het beroep op de i-grond slaagde. De arbeidsovereenkomst werd daarom ontbonden.

Werknemer komt in cassatie tegen deze beslissing op, met klachten die onder meer de stelplicht bij een beroep op de i-grond aan de orde stellen. Ook wordt de rechtsopvatting getest dat voor een geslaagd beroep op de i-grond er ten minste één bijna voldragen andere grond moet zijn. Tot slot keert werknemer zich tegen het passeren van een bewijsaanbod.

Conclusie advocaat-generaal Drijber

De advocaat-generaal (A-G) concludeert als volgt. 

Geen andere stelplicht bij i-grond dan bij andere gronden van lid 3

Het subonderdeel legt de nadruk op de vereiste precisie van de stellingen van de werkgever. De klacht strekt er kennelijk toe dat de i-grond qua stelplicht anders moet worden behandeld dan de overige redelijke gronden uit artikel 7:669 lid 3 BW. Onder verwijzing naar de conclusie in de zaak Profoto, houdt de A-G die opvatting voor onjuist. Uiteraard zal de werkgever feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen aan zijn ontbindingsverzoek, ongeacht op welke redelijke grond(en) het verzoek is gebaseerd. De memorie van toelichting bij de Wab biedt echter geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de i-grond wat dit betreft een afwijkende – en voor de werkgever striktere – benadering zou kennen. Dat de werkgever geen strengere (‘preciezere’) stelplicht heeft voor de i-grond én dat bij een (meer) subsidiair beroep op de i-grond kan worden volstaan met verwijzing naar omstandigheden die in het kader van andere ontslaggronden zijn aangevoerd, volgt uit de parlementaire stukken. Met een verwijzing naar die omstandigheden kan het voor zowel de rechter als de werknemer voldoende duidelijk zijn dat de desbetreffende feitelijke stellingen tevens ten grondslag worden gelegd aan het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst op basis van de i-grond. Een dergelijke verwijzing dient wel te passen binnen de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 24 lid 1 Rv.

Bij toepassing i-grond hoeft niet ten minste één ontslaggrond bijna voldragen te zijn

Voorts behelst de klacht dat het hof bij de vraag of is voldaan aan de i-grond had moeten beoordelen of er sprake is van ten minste één ‘bijna voldragen’ andere ontslaggrond. Door dat na te laten is het gegeven oordeel onvoldoende inzichtelijk. De klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De i-grond is per 1 januari 2020 toegevoegd aan de redelijke gronden voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst zoals opgenomen in artikel 7:669 lid 3 BW. De feitenrechtspraak was aanvankelijk terughoudend in de toepassing van de i-grond. Daarbij werd soms overwogen dat de i-grond geen reparatiegrond van de andere redelijke gronden was, en ook dat een grond, voordat die gecombineerd kan worden met een andere grond, bijna voldragen moet zijn. Daarop is kritiek gekomen. In recentere rechtspraak lijkt die strenge lijn wat losser te worden. Dit lijkt de A-G terecht. De tekst noch de parlementaire geschiedenis wijzen erop dat het voor toewijzing van een verzoek op de i-grond vereist is dat één van de andere aangevoerde ontslaggronden ‘bijna voldragen’ moet zijn.