Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 13 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:3049
Feiten
Werknemer is sinds 1 februari 2022 in dienst bij Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: SJRR) als jeugdbeschermer. Werknemer is thans meer dan twee jaar arbeidsongeschikt; de loonbetaling door SJRR is per 16 september 2025 geëindigd. SJRR verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen. SJRR legt aan het verzoek ten grondslag dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door in ernstige mate zijn professionele verplichtingen als jeugdbeschermer te veronachtzamen. Daarnaast is hij strafrechtelijk veroordeeld voor een misdrijf dat verband houdt met zorgverlening aan jeugdigen en heeft hij SJRR daarover niet geïnformeerd, aldus SJRR.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verwijt van SJRR ten aanzien van het handelen van werknemer spitst zich toe op een specifiek dossier. Dat dossier betreft een gezin met twee kinderen van (destijds) 12 en 6 jaar oud, die reeds geruime tijd bij hun grootouders als pleegouders verbleven, omdat beide ouders een verleden hebben van verslaving en er sprake was van huiselijk geweld. In een pedagogisch opvoedbesluit (POB) is vastgelegd dat de kinderen tot hun meerderjarigheid bij de pleeg(groot)ouders zouden opgroeien. In het POB is vastgelegd dat de ouders een zeer beperkte omgang met de kinderen zouden hebben. Aan de totstandkoming van een POB ligt een strikte werkinstructie ten grondslag. Als gevolg van ‘signalen van ouderverstoting’ heeft werknemer vervolgens eenzijdig stappen genomen, waarbij ten minste bij de direct betrokkenen de indruk is gewekt of kan zijn gewekt dat naar een terugkeer van de kinderen naar de ouders, met name de moeder, toegewerkt zou gaan worden. De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 15 juli 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 8 juli 2026 en daarbij overwogen dat werknemer als jeugdbeschermer de moeder het idee heeft gegeven dat een thuisplaatsing van de kinderen in de nabije toekomst zal plaatsvinden en dat dat niet had mogen gebeuren. Wat in ieder geval uit de overwegingen van de kinderrechter, expliciet dan wel impliciet, blijkt is dat het handelen van werknemer in het betreffende dossier tot een verstoorde samenwerking en een beschadiging van het vertrouwen heeft geleid. Met name in de jeugdzorg wordt van alle betrokken hulpverleners uiterst zorgvuldig en professioneel handelen verwacht en vooropgesteld. De verstoorde samenwerking en beschadiging van vertrouwen heeft werknemer door zijn eenzijdig optreden, zonder afstemming met andere betrokken hulpverleners en in strijd met een eerder opgesteld POB, veroorzaakt en dat bovendien in een dossier dat gekenmerkt wordt door kenbare gevoeligheden ten aanzien van alle betrokkenen, in het bijzonder ook die van de kinderen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verstoorde samenwerking en beschadiging van vertrouwen grotendeels, zo niet geheel terug te voeren op het eenzijdig handelen van werknemer. In dit dossier komt daar echter nog bij dat werknemer op 22 augustus 2024 is veroordeeld voor valsheid in geschrifte en bedrog. Deze veroordeling houdt verband met de rol die werknemer speelde bij een stichting die werkzaam was in de zorg van minderjarige cliënten met een persoonsgebonden budget. Niet alleen is werknemer strafrechtelijk veroordeeld tot een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf, maar ook tot betaling aan de benadeelde partij, de gemeente Breda, van een bedrag van € 102.918,83. Werknemer heeft dit nimmer aan SJRR gemeld. Beide elementen, namelijk (1) het handelen door werknemer in het specifieke dossier en (2) het verzwijgen van zijn strafrechtelijke veroordeling, in samenhang genomen leveren ernstig verwijtbaar handelen van werknemer op. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zonder toekenning van de transitievergoeding.
