Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Holland, 24 januari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2024:14307
Werkgever verzweeg pensioenwijziging, maar werkneemster ontvangt lang niet wat zij verzocht: kans op deelname halverwege geknipt op 50% - slechts € 5.000 van de gevorderde € 72.766 toegewezen.

Feiten

In een eerder tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat werkgeefster is tekortgeschoten in haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen, omdat zij haar werkneemster niet tijdig en deugdelijk heeft geïnformeerd over een wijziging in de pensioenregeling, namelijk het vervallen van de werknemersbijdrage. Daardoor heeft werkneemster de kans gemist om bij een juiste voorstelling van zaken alsnog deel te nemen aan die regeling. In dit eindvonnis staat nog uitsluitend de omvang van de door werkneemster geleden pensioenschade vanaf 1 januari 2011 ter discussie. Werkneemster vordert na eisvermeerdering - gebaseerd op een door haar ingeschakeld deskundigenrapport - onder meer het netto-equivalent van € 72.766,13 bruto aan pensioenschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 februari 2023. Werkgeefster concludeert tot afwijzing. Centraal in het debat staat de vraag of werkneemster per 1 januari 2011 zou hebben deelgenomen aan de pensioenregeling indien zij correct was geïnformeerd. Werkneemster stelt dat die kans 100% bedraagt: in 2009 had zij wegens een persoonlijke financiële situatie (uitkoop ex-partner) bewust gekozen voor maximaal nettosalaris in plaats van pensioenopbouw, maar in 2011 was die belemmering weggevallen. Werkgeefster betwist dit gemotiveerd en wijst onder meer op een brief van werkneemster uit 2022, waarin zij zelf slechts schreef dat deelname 'waarschijnlijk' een reden zou zijn geweest. Daarnaast is in geschil of de in 2009 toegekende salarisverhoging van € 350 per maand - die gold als compensatie voor het niet deelnemen aan de pensioenregeling - gedurende het gehele verdere dienstverband in het salaris verdisconteerd is gebleven, dan wel op enig moment in latere salarisverhogingen is ‘ingegroeid’.

Oordeel

De kantonrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe en begroot de schade op € 5.000. De stelling van werkneemster dat zij met 100% zekerheid per 1 januari 2011 zou hebben deelgenomen, acht de kantonrechter niet houdbaar. Uit het evaluatieformulier van 2009 blijkt dat werkneemsters voornaamste motief was gelegen in het willen ontvangen van de werkgeversbijdrage als salarisverhoging en niet in het vermijden van de werknemersbijdrage, zoals werkneemster later heeft betoogd. Dit laatste argument verscheen bovendien pas in de akte ná het tussenvonnis, op een moment dat werkneemster wist dat de schade via de leer van de kansschade zou worden berekend. De kantonrechter stelt de kans op deelname per 1 januari 2011 schattenderwijs vast op 50%, hetgeen tevens het percentage is waarvoor causaal verband wordt aangenomen. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat de compensatie van € 350 bruto per maand tot het einde van het dienstverband in het salaris is blijven zitten. De salarisverhogingen die werkneemster na 2009 ontving, waren prestatiegerelateerd en individueel onderhandeld. Van ‘ingroeien’ van die compensatie in een latere algemene verhoging is niet gebleken. Dit betekent dat bij het bepalen van de hypothetische pensioenpot het salaris telkens met € 350 dient te worden verminderd. De schade wordt berekend door de werkelijke situatie (nettosalaris ontvangen als compensatie) te vergelijken met de hypothetische situatie (pensioenpot bij deelname). Over de periode 1 januari 2011 tot 1 mei 2020 ontving werkneemster € 42.336,00 bruto (= € 25.211 netto na gemiddeld 40,45% belasting) als salariscompensatie. In de hypothetische situatie had de pensioenpot op 1 mei 2020,  inclusief 3,17% jaarlijks rendement, € 55.633 netto bedragen. Na belasting bij uitkering (37,35%) resteert € 34.854,07 netto. Het nettoverschil bedraagt € 9.642,98. Na toepassing van de 50%-kans resulteert dit in een kansschade van € 4.821,49. Afgerond kent de kantonrechter € 5.000 toe, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening.