Naar boven ↑

Rechtspraak

appelanten/FNV
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:145
Appellanten zijn veroordeeld tot nakoming van de cao Beroepsgoederenvervoer. In de bodemzaak wordt het vonnis bekrachtigd. In de kortgedingzaak wordt geoordeeld dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis van de kantonrechter ten onrechte heeft geschorst.

Feiten

Appellante 1 en appellante 2 oefenen beide een transportbedrijf uit. De ondernemingen zijn met elkaar verweven. FNV is partij bij de cao Beroepsgoederenvervoer. Stichting VNB heeft appellante 1 en appellante 2 bericht dat zij signalen had gekregen dat appellanten een aantal cao-bepalingen mogelijk niet correct naleven, en heeft appellanten gevraagd een aantal aanpassingen door te voeren en de benodigde nabetalingen te doen aan haar werknemers. Appellanten hebben VNB geen schriftelijke bewijsstukken gestuurd dat zij de verzochte wijzigingen hadden doorgevoerd. Bij inleidende dagvaarding heeft FNV de kantonrechter verzocht om appellanten te veroordelen tot naleving van de cao, nabetaling van een aantal bedragen aan een groep werknemers en betaling van schadevergoeding aan FNV. De kantonrechter heeft de vorderingen van FNV toegewezen. FNV heeft het vonnis betekend en executoriaal beslag laten leggen op een aantal voertuigen.  Appellanten hebben de voorzieningenrechter verzocht om het vonnis van de kantonrechter te schorsen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat FNV een onvoldoende concreet en zwaarwegend belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan FNV. Het vonnis van de kantonrechter is daarom in zoverre geschorst. In de bodemzaak hebben appellanten geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en FNV zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen appellanten aan FNV hebben betaald. Appelantlen hebben geklaagd dat appellante 2 niet onder de werkingssfeer van de cao valt. Appellanten stellen dat appellante 2 onder de cao voor de foodservice en groothandel in levensmiddelen valt.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Het feit dat appellante 2 geen NIWO-vergunning heeft, betekent niet dat zij buiten de werkingssfeer van de cao valt. FNV heeft onbetwist aangevoerd dat de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft vastgesteld dat appellante 2 zich heeft beziggehouden met vergunningsplichtig vervoer. Naar het oordeel van het hof hebben appellanten onvoldoende aangevoerd waaruit volgt dat de cao foodservice van toepassing is. Voor klachten van appellanten over de wijze waarop het vonnis ten uitvoer zou moeten worden gelegd is in hoger beroep geen plaats. Niet is aannemelijk geworden dat het vonnis van de kantonrechter onduidelijk, onvolledig of onuitvoerbaar is. Naar het oordeel van het hof zijn er gronden om de toegekende wettelijke verhoging te matigen, maar niet verder dan tot 35%. Appellanten zijn weliswaar met aanpassingen aan de slag gegaan, maar pas na diverse aanmaningen. Ten aanzien van de opgelegde dwangsommen hebben appellanten zich tevergeefs beroepen op de regel dat geen dwangsom kan worden opgelegd ter zake van de betaling van een geldsom als hoofdveroordeling, omdat zij de lonen niet aan FNV maar aan de werknemers moesten (na)betalen. Het hoger beroep van appellanten faalt, behalve ten aanzien van de wettelijke verhoging. In het kort geding heeft de voorzieningenrechter naar het oordeel van het hof op goede gronden beslist dat van een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter geen sprake was. Naar het oordeel van het hof heeft FNV echter terecht het standpunt ingenomen dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis niet had mogen schorsen. Appellanten hebben onvoldoende geconcretiseerd waarom zij geen zwaarwegend belang hadden bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep, dan de belangen van FNV. Appellanten hebben aangevoerd dat er een faillissementssituatie zou ontstaan als zij het vonnis zouden moeten uitvoeren door alle werknemers in de hoogste loonschaal in te delen, maar niet is gebleken dat alle werknemers in de hoogste loonschaal ingedeeld hadden moeten worden. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd. De vorderingen van appellanten worden afgewezen. Zij worden in de kosten van de procedure bij de rechtbank veroordeeld, en in de kosten van de procedure in hoger beroep. Als appellanten niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en het arrest van het hof wordt betekend, dienen zij de kosten van de betekening en extra nakosten te betalen.