Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/De Staat der Nederlanden
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:610
Ontslag op staande voet van ambtenaar zonder een transitievergoeding. Werkneemster heeft in strijd met de integriteitscode niet gemeld dat zij in aanraking is gekomen met justitie en heeft daarover geen openheid van zaken gegeven.

Feiten

Werkneemster is op 1 januari 2023 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van inspecteur/medewerkster toezicht. Werkgeefster is een toezichthoudende organisatie van de Rijksoverheid en maakt onderdeel uit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) van toepassing. Op 3 september 2025 heeft de recherche telefonisch contact opgenomen met werkgeefster. Vanuit een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de handel in verdovende middelen is namelijk informatie naar voren gekomen die betrekking heeft op werkneemster en een familielid. Werkneemster is op 11 september 2025 geschorst in afwachting van de uitkomst van nader onderzoek. Op 16 september 2025 heeft werkgeefster het proces-verbaal van bevindingen van 9 juni 20252 van de Politie Midden-Nederland ontvangen. Hierin is onder meer opgenomen dat aannemelijk is geworden dat de broer van werkneemster zich op grote schaal bezighield met handel in verdovende middelen. Daarnaast werd aannemelijk dat hij bij deze handel gebruik heeft gemaakt van goederen en diensten die op naam van zijn zus (werkneemster) geregistreerd staan. Zo werd aannemelijk dat hij voor de uitvoering van zijn drugshandel gebruik heeft gemaakt van een bankrekening en twee personenauto’s op naam van werkneemster. Daarnaast werd aannemelijk dat werkneemster mede gebruikmaakt van een bedrijfspand waar haar motorfiets is aangetroffen en goederen voor de werking van verdovende middelen. Daarnaast is daar een zeer groot contant geldbedrag aangetroffen. Uit bovenstaande bevindingen is aannemelijk geworden dat werkneemster, bewust dan wel onbewust, haar broer faciliteerde bij de handel in harddrugs. Daarnaast is aannemelijk geworden dat zij kennis gedragen moet hebben of kon hebben van de voornoemde drugshandel. Op 18 september 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt de kantonrechter onder meer om dit ontslag te vernietigen.

Oordeel

Ontslag op staande voet

De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster na kennisneming van het proces-verbaal voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet. De kantonrechter volgt werkneemster verder niet in haar stelling dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich te kunnen verweren omdat, zo begrijpt de kantonrechter, haar niet duidelijk was wat haar precies werd verweten. De kantonrechter volgt werkneemster niet in haar bezwaar dat de Staat in het verweerschrift de dringende redenen nader heeft geconcretiseerd, aangepast en uitgebreid. Ook volgt de kantonrechter werkneemster niet in haar verweer dat de in de ontslagbrief omschreven dringende redenen onvoldoende duidelijk zijn waardoor zij zich niet adequaat heeft kunnen verdedigen. De kantonrechter is het met de Staat eens dat werknemers die werkzaam zijn bij de Rijksoverheid een bijzondere positie hebben. Van een goed ambtenaar mag gezien de publieke functie een hoge mate van integriteit worden verwacht. Dat geldt helemaal voor ambtenaren die, zoals werkneemster, een vertrouwensfunctie hebben. Van werkneemster mag worden verwacht dat zij zich hiervan bewust is. Dit wordt onderstreept door de eed die zij heeft afgelegd. Werkgeefster heeft terecht geconstateerd dat werkneemster, in strijd met de GIR, niet heeft gemeld dat zij en haar broer in aanraking zijn gekomen met justitie en dat zij, zelfs na vragen, ook verder daarover geen openheid van zaken heeft gegeven. Anders dan werkneemster heeft betoogd is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam duidelijk waar werkneemster openheid over had moeten geven: in ieder geval dat zij in aanraking is gekomen met justitie. Ook is haar betrokkenheid bij strafbare feiten voldoende komen vast te staan. Werkneemster heeft ‘betrokkenheid’ uitgelegd als strafrechtelijke betrokkenheid maar dat leest de kantonrechter anders. Uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in verdovende middelen is nu eenmaal informatie over werkneemster naar boven gekomen en dat maakt dat zij (bewust dan wel onbewust) betrokken is bij die strafbare activiteiten. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter door werkgeefster terecht aangemerkt als dringende redenen. Het onaanvaardbare integriteitsrisico dat hierdoor is ontstaan maakt dat van de Staat in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met werkneemster voort te zetten. Dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor werkneemster groot zijn, maakt de uitkomst niet anders. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

Transitievergoeding

Met name het niet melden dat zij in aanraking is gekomen met justitie, terwijl het strafrechtelijk onderzoek aan het licht heeft gebracht dat haar auto en haar bankrekening gebruikt zijn in verband met de criminele activiteiten van haar broer, is evident in strijd met hetgeen van werkneemster mag worden verwacht als vertrouwensfunctionaris en goed ambtenaar/werkneemster van werkgeefster. Daarmee heeft zij dus ernstig verwijtbaar gehandeld en nagelaten ten opzichte van werkgeefster. Het verzoek van de Staat om een verklaring van recht dat werkneemster geen recht heeft op een transitievergoeding wordt daarom toegewezen.