Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1314
Feiten
Werknemer is op 1 november 1996 in dienst getreden bij Koninklijke Vopak N.V. (hierna: Vopak). Vanaf 1 februari 2021 werkte werknemer op basis van detachering in België bij een aan Vopak gelieerde vennootschap. Op zijn arbeidsinkomen werd een zogenoemde Tax Equalization Policy toegepast, waardoor hij netto hetzelfde ontving als wanneer hij in Nederland had gewerkt. Naast zijn vaste loon ontving werknemer jaarlijks een STIP-bonus. Over het jaar 2021 bedroeg deze bonus € 52.387,43 bruto. In april 2022 is deze bonus per abuis tweemaal aan werknemer uitbetaald. In totaal ontving werknemer netto een dubbele bonus, terwijl hij slechts eenmaal recht had op uitbetaling. Bij vaststellingsovereenkomst van 17 april 2023 hebben partijen de arbeidsovereenkomst beëindigd per 1 september 2023. In deze overeenkomst is een ruime finale kwijting opgenomen, inhoudende dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen ter zake van alle aanspraken voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan. Bij de berekening van de beëindigingsvergoeding is uitgegaan van één STIP-bonus over 2021. In januari 2024 heeft Vopak werknemer meegedeeld dat er sprake was van een dubbele bonusbetaling en dat het te veel betaalde bedrag zou worden verrekend met een bedrag waarop werknemer nog aanspraak had op grond van de Tax Equalization Policy. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat dit, gelet op de finale kwijting, niet is toegestaan. Partijen twisten over de vraag of werknemer de dubbel betaalde bonus moet terugbetalen en of Vopak bevoegd is dit bedrag te verrekenen ondanks het finalekwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een onverschuldigde betaling van de STIP-bonus over 2021. Ook gaat de kantonrechter ervan uit dat werknemer ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte was van de dubbele betaling, terwijl Vopak dat niet was. Desondanks staat de ruime formulering van het finalekwijtingsbeding aan een terugvorderingsrecht in de weg. De tekst van het beding is uitputtend en allesomvattend geformuleerd en ziet op alle (mogelijke) aanspraken voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan. Daaronder vallen ook aanspraken waarmee Vopak ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was, zoals de onverschuldigde betaling van de dubbele bonus. Het beroep van Vopak op dwaling slaagt niet. De aard van de vaststellingsovereenkomst brengt mee dat terughoudendheid moet worden betracht bij een beroep op dwaling, nu deze overeenkomst juist strekt tot het beëindigen of voorkomen van onzekerheid of geschil. Ook het beroep op artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling) faalt. Op grond van artikel 7:902 BW kan een vaststellingsovereenkomst geldig zijn, ook indien deze afwijkt van dwingend recht, tenzij er sprake is van strijd met de goede zeden of openbare orde. Daarvan is geen sprake. De door werknemer gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen: Vopak is gehouden de finale kwijting na te leven en heeft geen vordering ter zake van de dubbel betaalde STIP-bonus.
