Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 17 februari 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:1087
Feiten
Werkneemster is op 1 maart 2023 bij UnitedConsumers Schadeverzekeringen B.V. in dienst getreden in de functie van Consumer Service Advisor Autoverzekeringen. Op 23 juli 2024 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Na een periode volledig arbeidsongeschikt te zijn geweest, is zij op enig moment weer gestart met werkhervatting. Op 7 juli 2025 heeft werkneemster aan UnitedConsumers gevraagd om een herbeoordeling. UnitedConsumers heeft haar toen gewezen op de mogelijkheid tot het aanvragen van een deskundigenoordeel. Werkneemster heeft vervolgens geen deskundigenoordeel aangevraagd. Op 8 augustus 2025 is werkneemster volledig hersteld gemeld. Op 19 augustus 2025 heeft werkneemster zich echter opnieuw ziek gemeld. Vervolgens is werkneemster gezien door de bedrijfsarts. Deze heeft op 17 september 2023 geoordeeld dat werkneemster weer volledig hersteld was. Op 23 september 2025 heeft de gemachtigde van UnitedConsumers een loonstop aangekondigd en doorgevoerd, omdat werkneemster oproepen om haar werk te hervatten bleef weigeren. Op 24 september 2025 heeft werkneemster, nadat zij kort op het werk was verschenen en daar een paniekaanval kreeg, zich opnieuw ziek gemeld. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werkneemster onder meer dat UnitedConsumers wordt veroordeeld het achterstallig loon op grond van artikel 7:629 BW over de periode vanaf september 2025 aan haar te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat UnitedConsumers onterecht een loonstop heeft opgelegd en haar na haar ziekmelding op 24 september 2025 opnieuw door een bedrijfsarts had moeten laten beoordelen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit voorgaande feiten volgt dat werkneemster op 8 augustus 2025 arbeidsgeschikt was en dat deze situatie op 17 september ongewijzigd is gebleven. Hoewel werkneemster op 17 september 2025 arbeidsgeschikt was, staat vast dat zij geweigerd heeft te voldoen aan de oproep van UnitedConsumers om het werk te hervatten. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of op 24 september 2025 werkneemster recht had op een nieuwe beoordeling door de bedrijfsarts. Naar het oordeel van de kantonrechter dient deze vraag, gelet op alle omstandigheden in samenhang bezien, ontkennend te worden beantwoord. Naar de kantonrechter begrijpt stelt werkneemster zich op het standpunt dat op 24 september 2025 sprake is van een ‘nieuwe ziekmelding’. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Werkneemster heeft namelijk niet gemeld dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven haar opnieuw door een bedrijfsarts te laten beoordelen. De enkele vermelding dat zij op het werk een enorme paniekaanval heeft gekregen is hiervoor onvoldoende. Het feit dat werkneemster het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts op 17 september 2025 maakt niet dat UnitedConsumers op 24 september 2025 gehouden was haar opnieuw door een bedrijfsarts te laten beoordelen. Bij deze stand van zaken was het aan werkneemster om een second opinion dan wel een deskundigenoordeel aan te vragen. Op deze mogelijkheden is zij ook eerder gewezen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de loonstop van UnitedConsumers terecht is opgelegd. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen.
