Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 4 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:27514
Feiten
Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Den Haag voor recht verklaard dat werknemer nog altijd in dienst is van Wizzconcept en haar veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 1 september totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd. Wizzconcept verzoekt de kantonrechter de beschikking van 3 december 2024 te herroepen, en recht doende te verklaren dat Wizzconcept over de periode van september 2024 tot en met maart 2025 geen salaris verschuldigd is en werknemer te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Wizzconcept op grond van die beschikking aan hem heeft betaald. Werknemer heeft ter zitting van 3 december 2024 verklaard dat hij zo nu en dan elders tegen betaling werkzaamheden verrichtte om in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij in werkelijkheid een dienstverband had bij een andere werkgever van 36 per week.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volg. Het draait in deze zaak om de vraag of de kantonrechter op 3 december 2024 anders zou hebben beslist indien hij had geweten dat werknemer een dienstverband van 36 uur per week was aangegaan met een andere werkgever. Ook als de kantonrechter dat had geweten, dan zou hij voor recht hebben verklaard dat werknemer nog altijd in dienst was van Wizzconcept en haar hebben veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 1 september 2024 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zou zijn geëindigd. De omstandigheid dat werknemer een dienstverband van 36 uur per week was aangegaan met een andere werkgever leidt immers niet tot een einde van het dienstverband met Wizzconcept en zolang het dienstverband met haar bestond was Wizzconcept gehouden loon te betalen. Alleen wanneer in redelijkheid voor rekening van een werknemer behoort te komen dat hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht is een werkgever niet verplicht loon te voldoen (art 7:628 BW). Die uitzonderingssituatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Wizzconcept heeft immers het onhoudbare standpunt ingenomen dat op en na 1 september 2024 geen arbeidsovereenkomst meer bestond tussen werknemer en haar. Het is volledig aan haar te wijten dat werknemer sindsdien geen arbeid meer voor haar heeft verricht.
