Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 10 december 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:9778
Omdat niet is bewezen dat werknemer een arbeidsovereenkomst met B.V. heeft ondertekend en hij dus niet bij B.V. in dienst was, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tegen B.V.

Feiten

Uit de tussenbeschikking in deze zaak van 10 april 2025 volgt dat werknemer zich op het standpunt stelt dat hij op het moment van het ontslag op staande voet (21 oktober 2024) in dienst was bij werkgever (en niet bij B.V.). Werkgever en B.V. stellen echter dat werknemer op 5 oktober 2024 bij B.V. in dienst is getreden. Zij onderbouwen dat met een op 16 oktober 2024 ondertekende arbeidsovereenkomst tussen werknemer en B.V. Werknemer betwist stellig dat hij een arbeidsovereenkomst met B.V. heeft gesloten en dat hij de door werkgever en B.V. aangehaalde arbeidsovereenkomst heeft ondertekend.

Oordeel

Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter in de zaak tussen werknemer en werkgever eerst een deskundigenonderzoek bevolen. Dat onderzoek bleek niet mogelijk. Daarna heeft de kantonrechter werkgever een bewijsopdracht gegeven. In de eindbeschikking in de procedure tussen werknemer en werkgever is daarover overwogen dat werkgever niet is geslaagd in het bewijs dat werknemer de arbeidsovereenkomst met B.V. heeft ondertekend en dat de kantonrechter er daarom van uitgaat dat werknemer ook na 5 oktober 2020 in dienst is gebleven bij werkgever. Aangezien dat ook de stelling van werknemer zelf is in onderhavige procedure zal werknemer niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn verzoeken tegen B.V. De kantonrechter komt aan een (verdere) behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek niet toe, omdat niet aan de voorwaarde (vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen) is voldaan.