Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 12 februari 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:1392
Werkgeefster wordt verstek verleend en wordt veroordeeld mee te werken aan het Xella-verzoek van werknemer.

Feiten

Werknemer is per 10 september 2014 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van allround constructiebankwerker/lasser. Werknemer heeft zich in juli 20221 ziek gemeld. Aan werkgeefster is een loonsanctie opgelegd na einde wachttijd. Werknemer is nog steeds arbeidsongeschikt en kan zijn functie niet langer uitvoeren. Werknemer ontvangt een WIA-uitkering op basis van 80%-100% arbeidsongeschiktheid. Werknemer heeft werkgeefster op 1 augustus 2025 gevraagd de arbeidsovereenkomst te beëindigen met wederzijds goedvinden wegens langdurige arbeidsongeschiktheid onder betaling van de wettelijke transitievergoeding. Werkgeefster heeft op dit verzoek, en herhalingen van het verzoek, niet gereageerd. Werknemer verzoekt – onder verwijzing naar de Xella-beschikking – de kantonrechter om werkgeefster te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van de beschikking mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, en tot betaling van een schadevergoeding. Werkgeefster heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling waren twee werknemers van werkgeefster aanwezig. Zij verklaarden echter geen bestuurder te zijn en beschikten ook niet over een volmacht van werkgeefster om haar in rechte te vertegenwoordigen. Dit heeft tot gevolg dat werkgeefster niet is verschenen in deze procedure. De omstandigheid dat zij niet verschenen is, komt voor haar risico. De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster gehouden is om in te stemmen met het beëindigingsverzoek van werknemer. Aan deze medewerking wordt geen dwangsom gekoppeld, omdat werkneemster de arbeidsovereenkomst ook zelf kan opzeggen. Een dergelijke opzegging laat de schadevergoeding ter omvang van de transitievergoeding waar werkneemster toe wordt veroordeeld onverlet. De overige verzoeken van werkneemster worden eveneens toegewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de aan het opstellen van een bruto/nettospecificatie gekoppelde dwangsom te matigen tot € 2.500. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.