Naar boven ↑

Rechtspraak

eiser/gedaagde
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1412
Kort geding. Loonvordering eiser afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat eiser gewerkt heeft en werkt op basis van een arbeidsovereenkomst.

Feiten

Bedrijf X, waarvan eiser en een andere persoon middellijk bestuurders/aandeelhouders zijn via hun eigen bv’s, is een joint venture aangegaan met een ander bedrijf. Het samenwerkingsverband is aangegaan in de onderneming van gedaagde, die zich richt op het aanbieden van farmocogenetische testen via eerstelijnszorgverleners. Eiser stelt dat hij in mei 2024 in dienst is getreden van gedaagde, en vordert onder meer achterstallig loon en vakantiegeld. Gedaagde concludeert tot afwijzing.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelet op de aard van de vordering – een loonvordering – is het spoedeisend belang gegeven. Eiser stelt dat hij financieel in de knel komt te zitten door het uitblijven van betaling van zijn loon. Gedaagde betwist dat eiser voor hem werkt op basis van een arbeidsovereenkomst. Eiser heeft een e-mail ingebracht uit de opstartfase van de onderneming, waaruit volgt dat het de bedoeling was dat eiser in dienst zou treden, waarmee gedaagde akkoord lijkt te zijn gegaan. Uit de betreffende e-mails volgt echter ook dat nog werd onderhandeld over een aandeelhoudersovereenkomst, zodat de afspraken rond de samenwerking nog niet rond waren. Gedaagde heeft aangevoerd dat partijen uiteindelijk andere afspraken hebben gemaakt. Zo heeft gedaagde een e-mail van eiser ingebracht waarin hij aangeeft dat hij aanvankelijk in dienst zou komen, maar er uiteindelijk toch voor gekozen heeft om via zijn holding te factureren. Gedurende anderhalf jaar heeft gedaagde nimmer aan eiser meegedeeld dat zijn loon niet betaald werd.  De loonvordering wordt afgewezen. Eiser wordt in de proceskosten veroordeeld. Voor een veroordeling van eiser in de werkelijke proceskosten is geen grond.