Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 30 oktober 2025
ECLI:NL:RBLIM:2025:10688
Feiten
Werkneemster is per 1 februari 2023 in dienst getreden bij werkgeefster, en was laatstelijk werkzaam in de functie van allround chauffeuse. Op 28 april 2023 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Werkgeefster heeft werkneemster om de reden voor haar verzuim gevraagd. Werkneemster heeft die reden niet verstrekt en heeft om een verwijzing naar de bedrijfsarts verzocht. Werkgeefster heeft de loondoorbetaling vervolgens stopgezet en geen bedrijfsarts ingeschakeld. Nadat werkneemster juridische bijstand heeft ingeschakeld heeft werkgeefster het loon alsnog betaald en juridische bijstand ingeschakeld. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er sprake is van niet werkgebonden oorzaken voor de ziekmelding, en heeft partijen aangeraden mediation in te schakelen. Partijen zijn daar niet uitgekomen. Omdat werkneemster niet is ingegaan op de wens van werkgeefster om zonder mediator met elkaar in gesprek te gaan, heeft werkgeefster vanaf juni 2025 geen loon meer betaald. Werkneemster vordert betaling van het loon over juni 2025 en de periode daarna. Werkgeefster concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster omdat een deskundigenoordeel ontbreekt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de vordering. Het verweer van werkgeefster dat werkneemster niet-ontvankelijk is, slaagt niet. De voorzieningenrechter kan in kort geding afzien van de vraag om een deskundigenverklaring en ziet daar in deze kwestie ook aanleiding toe. Werkneemster is arbeidsongeschikt volgens de bedrijfsarts. Zij heeft dus recht op betaling van loon. Werkneemster voldoet volgens de kantonrechter aan haar re-integratieverplichtingen. Werkgeefster heeft de ziekmelding van werkneemster eerst betwist en vervolgens heeft zij een loonmaatregel opgelegd, terwijl zij aanvankelijk heeft geweigerd om de bedrijfsarts in te schakelen. Vervolgens weigert werkneemster een mediator in te schakelen, ondanks het advies van de bedrijfsarts. De kantonrechter begrijpt niet waarom werkgeefster onder deze omstandigheden niet kiest voor een de-escalerende houding door werkneemster in haar wens met elkaar in gesprek te gaan onder begeleiding van een onafhankelijke derde tegemoet te komen. Werkgeefster heeft werkneemster doorbetaald op basis van 100%. Het te veel betaalde gedeelte van het loon mag werkgeefster verrekenen. De wettelijke verhoging wordt vastgesteld op 50%. Een gematigd bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
