Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en omgeving
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1170
Loonstop tijdens ziekte blijft in stand. Werkneemster verscheen zonder deugdelijke grond niet op (re-integratie)gesprekken.

Feiten

Werkneemster is per 1 augustus 2025 in dienst getreden bij de Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en omgeving (hierna: CVO) als docente op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Omdat de zomervakantie nog liep, is werkneemster feitelijk pas op 1 september 2025 gestart; diezelfde dag heeft zij zich (aan het begin van de middag) ziekgemeld en sindsdien heeft zij haar werkzaamheden niet hervat. CVO heeft arbodienst GOED ingeschakeld. Op 16 september 2025 heeft werkneemster gesproken met een inzetbaarheidsdeskundige van GOED, die in taakdelegatie van een BIG-geregistreerde (staf)bedrijfsarts een probleemanalyse opstelde. CVO heeft werkneemster vervolgens meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek over re-integratie. CVO wilde dit gesprek fysiek voeren. Werkneemster stelde Teams voor; CVO stemde daar niet mee in. Nadat werkneemster had voorgesteld het gesprek op het hoofdkantoor van CVO in Rotterdam te voeren, ging CVO daarmee akkoord en stelde zij data voor. Werkneemster gaf daarna aan geen afspraak te willen maken voordat zij bij de bedrijfsarts was geweest. CVO heeft werkneemster bij brief van 3 oktober 2025 uitgenodigd voor een gesprek op 8 oktober 2025 op het hoofdkantoor, met waarschuwing dat bij niet verschijnen een loonstop zou volgen. Werkneemster is op 8 oktober 2025 niet verschenen. CVO heeft daarop per 10 oktober 2025 de loonbetaling stopgezet en dit bij brief bevestigd. Op 21 oktober 2025 is werkneemster op consult geweest bij de bedrijfsarts. In de rapportage is onder meer vermeld dat werkgerelateerde knelpunten re-integratie belemmeren en dat partijen het gesprek moeten aangaan (zo nodig met een onafhankelijke derde). Tevens is vermeld dat werkneemster op dat moment tijdelijk niet inzetbaar is, en dat bij herstel begonnen kan worden met passende werkzaamheden (2×2 uur per week), eventueel vanuit huis. CVO heeft werkneemster daarna opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 4 november 2025 en daarbij aangeboden dat zij zich kon laten vergezellen (o.a. door haar zus) en dat CVO desgewenst een taxi op haar kosten zou regelen. Werkneemster is ook op 4 november 2025 niet verschenen. Werkneemster vordert in kort geding opheffing van de loonstop en betaling van achterstallig salaris vanaf 10 oktober 2025.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. CVO beroept zich op artikel 7:629 lid 3 sub d BW: geen recht op loon tijdens ziekte in de periode waarin de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de bedrijfsarts gegeven redelijke voorschriften die zijn gericht op het kunnen verrichten van passende arbeid. Het advies van 16 september 2025 is opgesteld door een inzetbaarheidsdeskundige in taakdelegatie van een (BIG-geregistreerde) bedrijfsarts. De kantonrechter acht voldoende onderbouwd dat taakdelegatie is toegestaan en dat de inzetbaarheidsdeskundige namens de bedrijfsarts adviseerde. De probleemanalyse wordt daarom als een advies van de bedrijfsarts beschouwd. Het advies om met elkaar in gesprek te gaan over de (ervaren) spanningen is een redelijk voorschrift gericht op re-integratie. Hoewel niet expliciet is vermeld dat het gesprek fysiek moest plaatsvinden, bevat het advies ook geen beperkingen of voorwaarden die een fysiek gesprek uitsluiten. CVO mocht daarom in redelijkheid verlangen dat werkneemster op locatie zou verschijnen, temeer omdat CVO zich redelijk opstelde door akkoord te gaan met de door werkneemster voorgestelde locatie (hoofdkantoor Rotterdam). Werkneemster had, als zij het niet eens was met (de implicaties van) het advies, een deskundigenoordeel bij het UWV kunnen aanvragen. Nu dat niet is gebeurd, wordt uitgegaan van het bedrijfsartsadvies. Werkneemster had dan ook alles in het werk moeten stellen om te verschijnen op de gesprekken na 16 september 2025. Objectief bezien had zij geen deugdelijke grond om weg te blijven. Omdat werkneemster niet verscheen op 8 oktober 2025 ondanks waarschuwing (artikel 7:629 lid 7 BW), mocht CVO per 10 oktober 2025 de loonstop toepassen. Het latere bedrijfsartsadvies van 21 oktober 2025 verandert dit niet, omdat daarin niets is opgenomen dat terugwerkt naar de periode vóór 21 oktober 2025 en ook daarin wordt opnieuw geadviseerd dat partijen het gesprek aangaan. Werkneemster is bovendien ook daarna niet op gesprek verschenen, zelfs niet met het aanbod van taxivervoer. De vorderingen tot opheffing en betaling worden daarom afgewezen.