Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 januari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:95
Feiten
Werknemer was sinds eind 2018 op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en vanaf 1 juni 2020 op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd voor 36 uur per week in dienst van Exolum. Hij was met name verantwoordelijk voor het laden en lossen van zeeschepen. Met toestemming van Exolum verrichtte hij daarnaast als zzp’er soortgelijke operatorwerkzaamheden bij andere bedrijven. Op 9 oktober 2024 is werknemer tijdens zijn werkzaamheden op een platform van Exolum op zijn knie gevallen. Hij meldde zich op 16 en 17 oktober 2024 ziek, werkte daarna weer, maar meldde zich op 13 november 2024 opnieuw ziek. Werknemer is tot op heden arbeidsongeschikt. Vanaf 22 november 2024 bezocht hij de bedrijfsarts. Op 29 januari 2025 hebben partijen een plan van aanpak opgesteld om terugkeer in de eigen functie mogelijk te maken. De bedrijfsarts oordeelde in de periode januari-april 2025 dat werknemer volledig arbeidsongeschikt was voor (re-integratie)werkzaamheden. In de “Probleemanalyse en advies” van 6 januari 2025 is vermeld dat werknemer beperkingen heeft bij onder meer buigen, tillen/dragen, lopen, trappenlopen, knielen/hurken en staan tijdens het werk en dat hij beperkt is voor zelf autorijden en reizen met het openbaar vervoer. In latere evaluaties staat dat deze klachten en beperkingen nog steeds bestaan. Bij brief van 26 mei 2025 heeft Arag namens werknemer Exolum aansprakelijk gesteld voor de schade van het bedrijfsongeval. Begin juni 2025 heeft Exolum vernomen dat werknemer tijdens zijn ziekmelding operatorwerkzaamheden bij een ander bedrijf had verricht. Daarop is X ingeschakeld om de activiteiten van werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid te onderzoeken. Op 12 juni 2025 constateerde de bedrijfsarts een lichte verbetering en werd verwacht dat werknemer op niet al te lange termijn kon beginnen met re-integratie. Op 14 juli 2025 gaf werknemer aan dat zijn situatie niet was verbeterd, dat hij volledig rust moest houden en niet kon autorijden. Op 23 juli 2025 liet hij weten dat een huisbezoek te intensief was; op 24 juli 2025 meldde hij dat hij vanwege pijn niet in staat was een gesprek te voeren. Uit het rapport bleek echter dat werknemer op 4 juli 2025 meerdere keren auto had gereden en met een grote boodschappentas naar zijn woning was gelopen en op 18 juli 2025 zonder afwijkend loopgedrag naar en van dezelfde auto is gelopen en daarmee heeft gereden. Bij e-mail van 24 juli 2025 heeft Exolum haar bevindingen meegedeeld, het voornemen tot ontslag op staande voet aangekondigd en om een reactie gevraagd. De gemachtigde van werknemer heeft het ontslag bestreden, maar geen uitleg gegeven over de geconstateerde feiten. Exolum heeft werknemer daarop bij brief van 30 juli 2025 op staande voet ontslagen wegens het “structureel schetsen van een onjuist beeld ter zake van jouw belastbaarheid”. Volgens werknemer is het sinds het ongeval sterk bergafwaarts gegaan met zijn gezondheid. Door aanhoudende pijn is hij niet in staat zijn werk te verrichten. Hij betwist dat hij Exolum onjuist heeft geïnformeerd en stelt dat Exolum zich niet zonder meer mocht baseren op de rapportage van X, nu het oordeel over ziekte en belastbaarheid is voorbehouden aan de bedrijfsarts. Werknemer verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet. Hij stelt dat er geen sprake is van een dringende reden en dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Naast vernietiging van het ontslag verzoekt werknemer onder meer betaling van achterstallig salaris, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting heeft werknemer verklaard dat hij op 4 juli 2025 zijn vader naar het ziekenhuis heeft gebracht en daarvoor pijnstillers heeft genomen om te kunnen rijden. Op 18 juli 2025 is hij naar BioZorg gereden in het kader van zijn re-integratie. Voorts erkent hij dat hij in oktober 2024 twee dagen bij Y heeft gewerkt, omdat dit zittend kon worden gedaan en hij niet wist dat dit tijdens ziekte niet was toegestaan. De kantonrechter overweegt dat Exolum een gegronde reden had om X in te schakelen, nu zij had vernomen dat werknemer tijdens zijn ziekmelding bij een andere werkgever had gewerkt. Vaststaat dat werknemer, terwijl hij had verklaard niet in staat te zijn een huisbezoek te ontvangen en niet te kunnen autorijden, op 4 en 18 juli 2025 auto heeft gereden en zonder afwijkend loopgedrag naar en van de auto is gelopen. Dit is in strijd met hetgeen werknemer over zijn belastbaarheid heeft medegedeeld. Exolum heeft terecht uitleg gevraagd. Nu, ondanks een nadrukkelijk verzoek, een inhoudelijke uitleg is uitgebleven, heeft Exolum werknemer op 30 juli 2025 terecht op staande voet ontslagen. Een werkgever mag ervan uitgaan dat een werknemer gedurende zijn arbeidsongeschiktheid open en waarheidsgetrouw communiceert over zijn belastbaarheid. Het vertrouwen was reeds ernstig geschaad omdat werknemer tijdens zijn ziekmelding voor een andere werkgever had gewerkt. De eerst ter zitting gegeven toelichting verklaart een en ander volgens de kantonrechter onvoldoende. Niet kan worden vastgesteld dat werknemer in juli 2025 daadwerkelijk niet in staat was een huisbezoek te ontvangen. Geconcludeerd wordt dat hij op 14 en 23 juli 2025 niet de waarheid heeft gesproken. Dit levert een dringende reden op voor ontslag. Het ontslag is bovendien onverwijld gegeven.
Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen. Nu het ontslag op staande voet terecht is gegeven, is Exolum in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd. Maar omdat vaststaat dat werknemer nog steeds volledig arbeidsongeschikt is, kostwinner is en het dienstverband zeven jaar heeft geduurd zonder eerdere incidenten, wordt aanleiding gezien om de transitievergoeding toe te wijzen. De overige verzoeken, waaronder betaling van achterstallig salaris, billijke vergoeding en verstrekking van stukken, worden afgewezen. Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, is er geen reden meer een voorlopige voorziening te treffen.
