Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:371
Feiten
Werkgeefster exploiteert een manegebedrijf waarvan de activiteiten hoofdzakelijk bestaan uit het aanbieden van paardrijlessen. Vanaf 1 januari 2021 biedt zij daarnaast zorgactiviteiten aan in de vorm van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag, gericht op het werken aan zelfstandigheid, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden. Zij heeft hiervoor een orthopedagoog in dienst en ontvangt financiering op grond van de Wmo en de Wlz. PFZW, het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de sector Zorg en Welzijn, heeft werkgeefster bij brief van 14 maart 2025 meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2021 verplicht is aangesloten. PFZW heeft vier premiefacturen gestuurd over de periode januari 2023 tot en met januari 2025, die werkgeefster onbetaald heeft gelaten. In conventie vordert werkgeefster een verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van PFZW valt. Zij voert daartoe aan dat zij geen zorginstelling is en dat haar zorgactiviteiten inhoudelijk gelijk zijn aan de reguliere manegeactiviteiten, zij het met meer persoonlijke aandacht. Subsidiair stelt zij dat de uitzondering voor generalistische basis-ggz op haar van toepassing is. Meer subsidiair betoogt zij dat haar activiteiten beter passen bij de categorie welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening (artikel I-A, ad g), waarvoor een hoofdzakelijkheidscriterium van meer dan 50% geldt waaraan zij niet voldoet. In reconventie vordert PFZW onder meer een spiegelbeeldige verklaring voor recht en betaling van de openstaande premiefacturen.
Oordeel
De kantonrechter past de cao-norm toe en oordeelt dat de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit doorslaggevend zijn. Het besluit vereist niet dat een werkgever een zorginstelling is. Bepalend is uitsluitend of de werkgever een van de omschreven vormen van zorg verleent. Werkgeefster verleent zorg in de vorm van begeleiding (artikel I-A, ad a, sub 4), gefinancierd uit de Wmo en Wlz. Dat haar activiteiten hoofdzakelijk uit rijlessen bestaan, doet niet ter zake: voor deze categorie geldt geen hoofdzakelijkheidscriterium. Het beroep op de ggz-uitzondering slaagt evenmin, nu werkgeefster niet heeft betwist dat deze uitzondering uitsluitend ziet op zorg door psychologen en psychotherapeuten. Het betoog dat zij onder de categorie welzijnswerk valt, wordt verworpen omdat haar dagbestedingsactiviteiten niet gericht zijn op arbeidsparticipatie en niet worden gefinancierd vanuit de Participatiewet. De vordering in conventie wordt afgewezen. In reconventie verklaart de kantonrechter voor recht dat werkgeefster vanaf 1 januari 2021 onder de verplichtstelling van PFZW valt en veroordeelt haar tot betaling van de premiefacturen.
