Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/pgb-budgetvertegenwoordiger
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1037
Partijen hebben onvoldoende belang bij beantwoording van de vraag of de verkorte loondoorbetaling tijdens ziekte voor de pgb-zorgverlener buiten toepassing moet blijven, omdat er sprake zou zijn van indirecte discriminatie op grond van geslacht nu werkneemster waarschijnlijk recht heeft op een Ziektewetuitkering.

Feiten

Werkneemster is een pgb-zorgverleenster en valt onder de Regeling Dienstverlening aan Huis. Zij heeft op basis van een arbeidsovereenkomst op minder dan vier dagen per week zorg verleend aan haar meervoudig gehandicapte neef. De vader van de neef is pgb-budgetvertegenwoordiger en bewindvoerder. Werkneemster heeft zich op 27 september 2023 ziekgemeld. De eerste zes weken na de ziekmelding is het loon doorbetaald. Daarna is de loonbetaling gestopt. In onderhavige procedure stelt werkneemster zich op het standpunt dat zij niet zes, maar 104 weken recht heeft op loon. Volgens haar is namelijk sprake van verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht als gevolg waarvan de in artikel 7:629 lid 2 aanhef en onder a BW neergelegde uitzondering op de loondoorbetalingstermijn van 104 weken buiten toepassing moet blijven. De vader van de neef is het hiermee niet eens. Partijen hebben via een gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Rv de kantonrechter verzocht zich uit te laten over de vraag of de Regeling Dienstverlening aan Huis, en meer specifiek artikel 7:629 lid 2 aanhef en onder a BW, verboden indirecte discriminatie voor vrouwen oplevert en, als dit het geval is, of dan de hoofdregel van artikel 7:629 lid 1 BW van toepassing is.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat partijen onvoldoende belang hebben bij het antwoord op deze vraag en licht dit als volgt toe. Zoals de vader terecht heeft aangevoerd, heeft werkneemster waarschijnlijk recht op een uitkering op grond van de Ziektewet. Dat is het gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:481). In deze uitspraak is geoordeeld dat pgb-zorgverleners die onder de reikwijdte van de regeling vallen niet mogen worden uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Werkloosheidswet (WW), omdat het uitsluiten van deze groep indirecte discriminatie van vrouwen oplevert (de uitzonderingsbepaling treft een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft). Vanwege deze uitspraak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 mei 2025 een wetsvoorstel ingediend waarin alle pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst, die doorgaans minder dan vier dagen per week werken, per 1 januari 2026 dezelfde rechten krijgen als werknemers die niet onder de regeling vallen. Dat geldt zowel voor de sociale zekerheid als de andere rechten, zoals het recht op loon bij ziekte. Omdat verzoekster al in 2023 ziek werd, gelden voor haar nog de oude regels. Toch heeft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarschijnlijk wel gunstige gevolgen voor verzoekster. Uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt namelijk dat het UWV te kennen heeft gegeven de uitspraak ook toe te passen op de Ziektewet en in de praktijk geeft het UWV al met terugwerkende kracht tot 16 december 2021 uitvoering hieraan. Voor verzoekster betekent dit dat zij aansluitend op de periode van zes weken waarin verweerder het loon heeft doorbetaald, mogelijk dus recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Voor verzoekster maakt het bovendien financieel niet of nauwelijks uit: zij krijgt in beide situaties (nagenoeg) hetzelfde bedrag. De procedure wordt aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven een Ziektewetuitkering aan te vragen bij het UWV. Zodra het UWV heeft beslist op de uitkeringsaanvraag van verzoekster, mag zij aan de kantonrechter laten weten wat de beslissing is en welke gevolgen dit volgens haar heeft voor deze procedure. Verweerder mag daarna schriftelijk reageren.