Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is in 2018 bij Stichting Antonius Zorggroep (hierna: Antonius) in dienst getreden als klinisch chemicus. De kantonrechter heeft op verzoek van Antonius de arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter heeft voorts werkneemster een billijke vergoeding toegekend van drie jaarsalarissen, in totaal € 443.916 bruto, op de grond dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Antonius. Het hof heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bekrachtigd en heeft aan werkneemster een billijke vergoeding toegekend van € 170.000. Het hof heeft het in dit geval redelijk geacht, de goede en kwade kansen afwegend, om tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 (datum ontbinding) nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Uitgaande van het dan geldende maandloon met emolumenten van € 11.367,35 bruto komt dat neer op bijna € 273.000 bruto aan gemist loon. Het hof heeft het redelijk geacht daarvan af te trekken wat werkneemster in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximumdagloon is dat ongeveer € 4.305 bruto per maand. Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat werkneemster in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij ten minste een brutomaandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat heeft geleid tot een aftrek van ruim € 103.000 bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar naar het oordeel van het hof uit op € 170.000 bruto. Werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het gaat in cassatie om de vraag naar het belang van de WW-uitkering die de voormalige werknemer zou kunnen ontvangen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding bedoeld in artikel 7:671b lid 9 sub c BW.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De beslissing van het hof is in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Het hof heeft vooropgesteld dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en een niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval en dat het erom gaat de werkneemster te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Het heeft vervolgens de financiële gevolgen van het einde van de arbeidsovereenkomst voor de werkneemster vastgesteld en daarbij rekening gehouden met de tijd die de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk nog zou hebben voortgeduurd als deze niet in deze procedure zou zijn ontbonden. Op de gemiste inkomsten heeft het hof in mindering gebracht de inkomsten die werkneemster als alternatief zou kunnen verwerven (een WW-uitkering of inkomen uit een andere baan). Het heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het verhogen of matigen van de aldus bepaalde vergoeding.
Anders dan het middel betoogt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering op het gederfde loon in mindering heeft gebracht. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – ligt het immers voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. Het hof heeft dat niet miskend.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Verwerping van het beroep volgt.
