Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 15 januari 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:25
Feiten
Werknemer is sinds 1 augustus 2021 in dienst bij werkgeefster in de functie van vestigingsmanager. Eind juli 2025 heeft de nieuwe directeur een gesprek met werknemer gevoerd waarin hij vroeg waarom werknemer niet in- en uitklokte en hoe het afstorten van geld in zijn werk ging. Op 20 augustus 2025 vond een gesprek plaats met de eigenaar, de directeur en werknemer, waarin werd gezegd dat er elke maand veel geld moest worden bijgepast. Op 27 augustus 2025 werd werknemer in een nieuw gesprek geconfronteerd met camerabeelden waaruit zou blijken dat hij geld in zijn broekzak stopte en meer uren in rekening bracht dan hij werkte. Aan het einde van dat gesprek werd werknemer geschorst. Diezelfde dag heeft werknemer een e-mail gestuurd waarin hij niet akkoord ging met de schorsing, aanspraak maakte op zijn salaris over augustus en zijn arbeidsovereenkomst opzegde per 30 september 2025. Nog diezelfde dag ontving werknemer een brief van de gemachtigde van werkgeefster waarin hij per 27 augustus 2025 op staande voet is ontslagen. Als reden werd gegeven dat hij ten onrechte overuren had laten uitbetalen en geld van werkgeefster had ontvreemd. Volgens de brief bleek uit camerabeelden dat hij geld uit een muntbeker in zijn broekzak stopte, waarna het geld verdwenen was. Werkgeefster concludeerde dat werknemer gelden ontvreemdde en dat dit, afzonderlijk en in samenhang met de andere reden, een dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde. Werknemer stelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was, omdat het niet onverwijld was gegeven. Hij erkende dat hij zich geld had toegeëigend, maar vond dat werkgeefster te lang had gewacht en onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Werknemer verzoekt primair het ontslag op staande voet te vernietigen en werkgeefster te veroordelen tot betaling van het loon over augustus, september en oktober 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en loonstroken. Subsidiair verzoekt hij onder meer betaling van het loon over augustus 2025, een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en het vervallen verklaren van het non-concurrentie- en relatiebeding. Voor het geval het ontslag niet rechtsgeldig zou zijn, verzoekt werkgeefster om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van werknemer.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Werkgeefster had twee dringende redenen aangevoerd, namelijk het onterecht laten uitbetalen van overuren en het ontvreemden van geld. Werknemer betwistte de eerste reden, maar erkende de tweede. Tijdens de mondelinge behandeling erkende hij dat hij € 30.000 zonder medeweten en toestemming van werkgeefster had meegenomen. Het ontvreemden van geld van de werkgever is dermate ernstig dat dit op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Van werkgeefster kan dan niet langer worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De persoonlijke omstandigheden van werknemer maken dit niet anders. Ook het verweer dat het ontslag niet onverwijld is gegeven slaagt niet. Volgens de kantonrechter heeft werkgeefster voldoende onderbouwd dat zij pas kort voor het ontslag concrete aanwijzingen kreeg dat werknemer geld ontvreemdde en dat zij daarna voortvarend heeft gehandeld. Daarmee is het ontslag onverwijld gegeven. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag en tot doorbetaling van loon wordt afgewezen. Omdat werknemer tot 27 augustus 2025 in dienst was, heeft hij wel recht op de loonstrook van augustus 2025. Het subsidiaire verzoek van werknemer en het ontbindingsverzoek van werkgeefster behoeven geen beoordeling. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat hij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.
