Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 27 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:854
Werkgeefster heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een situatie waarin werkneemster niet heeft meegewerkt aan haar re-integratie, omdat niet concreet is gesteld welke afspraken werkneemster (ten onrechte) niet is nagekomen.

Feiten

Werkneemster is sinds 13 mei 2021 in dienst van werkgeefster. Per 1 januari 2024 is de functie van werkneemster gewijzigd naar die van teamleidster II voor 34 uur per week. Sinds 29 april 2024 is werkneemster arbeidsongeschikt. Op 15 april 2025 heeft werkgeefster een loonstop opgelegd, omdat werkneemster – volgens haar – vier keer niet bereikbaar was en nadat werkneemster een afspraak om op 15 april op het bedrijf te verschijnen niet was nagekomen. Daarna heeft werkneemster nog een aantal andere re-integratie-afspraken afgezegd. Op 29 september 2025 heeft werkneemster een deskundigenoordeel aangevraagd bij UWV om te beoordelen of haar re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest. De conclusie van dit deskundigenoordeel is dat niet gesteld kan worden dat de re-integratieactiviteiten van werkneemster onvoldoende zijn, omdat er geen concrete afspraken zijn vastgelegd in een plan van aanpak. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werkneemster dat werkgeefster wordt veroordeeld haar salaris vanaf 15 april 2025 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 7:629 BW is bepaald dat een werkgever in bepaalde situaties geen loon hoeft te betalen tijdens arbeidsongeschiktheid. Een van die situaties is dat de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan, kort gezegd, re-integratiebevorderende maatregelen. De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster op goede gronden de loonbetaling heeft stopgezet nadat werkneemster de afspraak om op 15 april op het bedrijf te verschijnen, niet is nagekomen. Werkneemster heeft namelijk niet onderbouwd dat hiervoor een geldige reden was en heeft ook niet aangegeven dat het niet redelijk was van werkgeefster dit van haar te vragen. Werkgeefster heeft echter niet voldoende onderbouwd gesteld dat ook in de periode na 18 april 2025 sprake is geweest van een situatie waarin werkneemster niet heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Werkgeefster heeft niet concreet gesteld welke afspraken werkneemster na 18 april 2025 (ten onrechte) niet is nagekomen. Voor de afgezegde afspraken waar werkgeefster wel concreet naar verwijst, had werkneemster een geldige reden (kaakontsteking en verslechterde mentale situatie). De gevorderde betaling van het achterstallig loon zal daarom en gelet op het spoedeisend belang bij de vordering, worden toegewezen met inachtneming van de specificaties uit de cao (95% gedurende het tweede halfjaar van de arbeidsongeschiktheid en 85% gedurende het tweede jaar). Tot slot wordt ook de wettelijke rente en de (gematigde) wettelijke verhoging van 20% toegewezen.