Naar boven ↑

Rechtspraak

Bariello
Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 januari 2026
ECLI:EU:C:2026:57
Nationale eis van bewijs van werkelijke schade na mislopen economisch voordeel van 500 euro aan compensatiegelden is niet in strijd met Clausule 4 Raamovereenkomst bepaalde tijd noch artikel 47 Handvest (effectieve rechtsbescherming).

Feiten

M.M. is vier schooljaren (tussen 2020-2024) tewerkgesteld als docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Aan docenten in vaste dienst heeft het ministerie een zogenoemde 'elektronische kaart' verstrekt met een tegoed van € 500 waarmee docenten verschillende goederen en diensten kunnen kopen, die wordt toegekend om de bijscholing van docenten te bevorderen en hun beroepsvaardigheden te verbeteren. M.M. vordert in deze procedure alsnog toekenning van deze kaart, dan wel een schadevergoeding gleijk aan het bedrag van vier keer € 500. Uit de beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell’istruzione (Elektronische kaart) (C-450/21, ECLI:EU:C:2022:411), volgt dat sprake is van strijdigheid met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, aangezien docenten als M.M., die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben, van het voordeel van deze kaart zijn uitgesloten. De hoogste nationale rechter heeft geoordeeld dat compensatie (met terugwerkende kracht) alleen toekomt aan personen die nog in dienst zijn van het onderwijs. Zijn zij niet meer in dienst van een onderwijsinstelling,  dan komt hun schadevergoeding toe, maar moeten ze wel aantonen dat ze schade hebben geleden (en niet louter een economisch voordeel hebben misgelopen). 

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, gelezen in het licht van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan nationale rechtspraak op grond waarvan, bij een vordering van een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een schadeloosstelling voor het feit dat hem als gevolg van een met deze eerste bepaling strijdige nationale regeling onterecht een financieel voordeel van € 500 per jaar werd onthouden dat wordt toegekend door middel van een elektronische kaart waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht die bestemd zijn voor de bijscholing van docenten, ten eerste voor de toekenning achteraf van deze kaart de voorwaarde geldt dat deze docent nog deel moet uitmaken van het onderwijsstelsel en ten tweede deze docent, indien deze kaart niet achteraf wordt toegekend, alleen onder bepaalde specifieke voorwaarden aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die wegens die niet-toekenning werd geleden.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. 

Nationale eis van bewijs van werkelijke schade na mislopen economisch voordeel van € 500 aan compensatiegelden is niet in strijd met Clausule 4 Raamovereenkomst bepaalde tijd noch artikel 47 Handvest (effectieve rechtsbescherming)

Het Hof overweegt dat uit de stukken (b)lijkt te volgen dat de voorwaarde voor toepassing van de 'elektronische kaart' zowel voor voltijds als deeltijdwerknemers is dat zij in dienst moeten zijn van het onderwijsbestel. In zoverre is er geen onderscheid wat de toepassing van de voorwaarden betreft. Dit neemt niet weg dat mogelijk toch sprake is van strijdigheid met clausule 4 lid 1 van de raamovereenkomst als het nuttig effect voor deze groep werknemers teniet wordt gedaan, mede in het licht van artikel 47 Handvest (effectieve rechtsbescherming). De procedureregels voor beroepen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mogen niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale beroepen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (HvJ EU 8 september 2011, Rosado Santana, C-177/10, ECLI:EU:C:2011:557, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat het  aan de verwijzende rechter staat om zich ervan te vergewissen dat M.M. voor die rechter of, in voorkomend geval, voor een andere rechter daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn recht op vergoeding van de geleden schade geldend te maken volgens bewijs-, procedurele of andere regels die niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke beroepen naar nationaal recht en met name voor alle beroepen voor voormalige docenten in vaste dienst die ertoe strekken de toekenning achteraf van de betrokken elektronische kaart te verkrijgen, en welke regels de uitoefening van dat recht op schadevergoeding niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

Aangezien dit recht juist strekt tot vergoeding van de schade die is geleden omdat de betrokken elektronische kaart niet is toegekend, is het op zich echter niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel om van de betrokkene te verlangen dat hij met het oog op de uitoefening van dat recht stelt en bewijst dat er sprake is van specifieke schade anders dan die in verband met enkel het verlies van het bedrag van € 500 per jaar, of om als vergoeding een geldbedrag toe te kennen dat niet even hoog is als de waarde van de betrokken elektronische kaart, met name wanneer blijkt dat de geleden schade geringer is.

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan nationale rechtspraak op grond waarvan, bij een vordering van een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een schadeloosstelling voor het feit dat hem als gevolg van een met deze bepaling strijdige nationale regeling onterecht een financieel voordeel van € 500 per jaar werd onthouden dat wordt toegekend door middel van een elektronische kaart waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht die bestemd zijn voor de bijscholing van docenten, ten eerste voor de toekenning achteraf van deze kaart de voorwaarde geldt dat deze docent nog deel moet uitmaken van het onderwijsstelsel en ten tweede deze docent, indien deze kaart niet achteraf wordt toegekend, alleen onder bepaalde specifieke voorwaarden aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die wegens die niet-toekenning werd geleden, mits al deze voorwaarden ook gelden voor docenten in vaste dienst die erom verzoeken deze kaart achteraf toe te kennen, en de procedureregels voor de uitoefening van dit recht op schadevergoeding bovendien in overeenstemming zijn met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.