Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 23 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6836
Feiten
Werknemer was sinds 10 maart 2025 in dienst bij werkgeefster (een echtpaar) als (tweede) schipper op een binnenvaartschip. De beide schippers wisselden elkaar af en werkten op basis van week-op en week-af op het schip. Op het schip hebben alle bemanningsleden een eigen kamer om te verblijven; het echtpaar dat het schip exploiteert, woont op het schip. Op 14 april 2025 is werkgeefster de kamer van werknemer binnengegaan, nadat zij een sterke urinegeur rook en dacht dat haar hond daar misschien zijn behoefte had gedaan. Werkgeefster trof een volledig ondergeplaste kamer en matras aan als bron van de urinegeur. Dit was duidelijk niet van de hond. Werkgeefster vond ook haar eigen lingerie, die ook onder de urine zat. Partijen zijn vervolgens het gesprek met elkaar aangegaan, waarbij werknemer beterschap van zijn gedrag heeft beloofd. Op 14 juli 2025 trof werkgeefster ook de nieuwe kamer van werknemer ondergeplast aan. Er werd opnieuw ondergeplaste lingerie van werkgeefster aangetroffen en ook lingerie van een ander vrouwelijk bemanningslid. Daarnaast werden deze keer ook drugs en drugsresten aangetroffen. Werknemer is vervolgens op 16 juli 2025 op staande voet ontslagen vanwege het bezit van verdovende middelen en het intimideren van collega’s. Werknemer verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet en subsidiair toekenning van vergoedingen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Rechtsgeldig ontslag op staande voet
Tussen partijen is niet in geschil dat er in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk staat opgenomen dat het bij zich hebben, nuttigen, gebruiken of tot zich nemen van enigerlei verdovende middelen verboden is en overtreding ontslag op staande voet tot gevolg kan hebben. Ook is niet in geschil dat er op 14 juli 2025 verdovende middelen in de kamer van werknemer zijn aangetroffen. Daarmee staat vast dat sprake is van bezit van verdovende middelen in strijd met de arbeidsovereenkomst. In deze procedure is niet komen vast te staan dat werknemer ten tijde van het bezit van de verdovende middelen aan een drugsverslaving leed. Werkgeefster heeft uitdrukkelijk betwist dat zij vóór 14 juli 2025 op de hoogte was van drugsbezit aan boord van het schip en van een eventueel bij werknemer bestaande drugsverslaving. Ook heeft zij betwist dat zij op dit vlak ook maar iets gedoogde. De kantonrechter overweegt dat van wetenschap of het gedogen van enig drugsbezit door werkgeefster aan boord van het schip op geen enkele wijze is gebleken. De kantonrechter acht dit ook niet geloofwaardig, gelet op de door werknemer beklede functie als schipper en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor het 110 meter lange schip. Het bezitten van drugs levert in dit geval een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Verder is niet in geschil dat tot twee keer toe ondergeplaste lingerie van werkgeefster in de kamer van werknemer is aangetroffen. Het gaat om lingerie die werknemer zich zonder toestemming van werkgeefster heeft toegeëigend en ondergeplast. Dit is (seksuele) intimidatie en ook dat levert een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het betreft immers een ernstige inbreuk op het gevoel van veiligheid, op de privacy en op de seksuele integriteit van werkgeefster. Tot slot overweegt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven en medegedeeld. Het ontslag op staande voet is dan ook rechtsgeldig gegeven en de verzoeken van werknemer worden afgewezen.
Vergoedingen
Werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 5.777,08 bruto. Daarnaast dient werknemer een schadevergoeding van € 355,70 te betalen, omdat hij door bewust roekeloos te handelen schade aan boord van het schip heeft veroorzaakt.
