Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 januari 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:166
Feiten
Het bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: Bpf) voert de pensioenregeling uit voor onder meer de bouw. Deelneming in het Bpf is verplichtgesteld. Appellanten zijn zes vennootschappen behorend tot het concern KlokGroep. Bij uitspraken van april 2022 is beslist dat appellanten onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s vallen. De door appellanten ingediende bezwaren zijn ongegrond verklaard. In augustus 2023 hebben appellanten premienota’s ten bedrage van ruim € 14 miljoen ontvangen. Appellanten hebben deze nota’s niet betaald. Appellanten hebben een eigen pensioenregeling die is ondergebracht bij Nationale Nederlanden. Bij de kantonrechter hebben appellanten een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s vallen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat ‘werkzaamheden op het vlak van’ betekent dat sprake moet zijn van door de dienstverlenende ondernemingen zelf verrichte, uitvoerende, fysieke bouwwerkzaamheden. Samengevat wordt de kern van de bedrijfsactiviteiten van appellanten gevormd door de aankoop van grond, voorbereiding van- en regievoering op het bouwproces, op eigen initiatief dan wel in opdracht van derden, gevolgd door de verkoop van het gebouwde, al dan niet voor eigen rekening. Tot de kernactiviteiten van appellanten behoort niet de feitelijke uitvoering van het plan, dus de fysieke bouwwerkzaamheden of -activiteiten. Deze worden telkens uitbesteed aan derden. Het ontwikkel- en verkooprisico ligt bij appellanten indien en voor zover zij niet in opdracht van derden handelen. Het uitvoeringsrisico van de bouw daarentegen ligt steeds bij de ingeschakelde derden. Gelet op de uitleg van het Verplichtstellingsbesluit, die inhoudt dat de kern van de bedrijfsactiviteiten van de dienstverlenende onderneming moet zien op fysieke, uitvoerende bouwwerkzaamheden, is de conclusie dat appellanten niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen, en daarmee niet premieplichting jegens het Bpf zijn, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel wordt opgekomen.
Oordeel
Het hof beoordeelt de activiteiten van de geïntimeerden afzonderlijk. Bij de werkzaamheden van geïntimeerde 1 gaat het om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Geïntimeerde 1 is gericht op het verrichten van ondersteunende activiteiten ten behoeve van de bv’s die onder de holding vallen. Het feit dat geïntimeerde 1 niet zelf bouwt, doet daar niet aan af. Bij projectontwikkeling worden grond, geld en gebruikers bijeengebracht om een bouwwerk te realiseren. Geïntimeerde 1 valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. Appellanten hebben aangevoerd dat slechts een beperkt deel van de werknemers zich bezighoudt met virtueel bouwen. Bovendien is virtueel bouwen, aldus appellanten, geen bouwen. Het hof oordeelt dat het bij de werkzaamheden van geïntimeerde 2 gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Ook virtueel bouwen of ervoor zorgdragen dat bepaalde bv’s gebruikmaken van een bepaalde softwareapplicatie, zijn gericht op bouwen en vallen onder de werkingssfeer. Datzelfde geldt voor de coördinerende werkzaamheden van geïntimeerde 2. Geïntimeerde 2 valt derhalve onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit. Appellanten hebben aangevoerd dat hun toegevoegde waarde het verwerven van grondpositief en het ontwikkelen van grondpositief betreft. Beide vennootschappen verwezenlijken geen bouwwerken of bouwplannen. Zij geven in sommige gevallen daartoe opdracht. Bouwbedrijven zijn daarmee dienstverleners aan deze vennootschappen en niet andersom. De kernactiviteit van de vennootschappen bestaat uiteindelijk uit gebiedsontwikkeling. Het hof oordeel dat gebiedsontwikkeling een proces is om een specifiek geografisch gebied te transformeren, waarbij onder andere projectontwikkelaars werkzaam zijn. De vennootschappen richten zich op het ontwikkelen, verkopen en realiseren van diverse (binnenstedelijke) projecten. Het geheel is gericht op bouwen, ongeacht of geïntimeerde 3 en geïntimeerde 4 zich ‘slechts’ vanuit een coördinerende rol met bepaalde werkzaamheden bezighouden. Een van de appellanten is gericht op het beheren respectievelijk coördineren van onderhouds- en servicewerkzaamheden aan gebouwen. Dat de betrokken werknemers geen werkzaamheden op de bouwplaatsen verrichten, doet daar niet aan af. Ook het feit dat een van de appellanten zelf geen bouwwerkzaamheden verricht maar zich beperkt tot een coördinerende rol, doet niet af aan het feit dat de werkzaamheden kwalificeren als het uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten. De schade die wordt gevorderd door het Bpf ter grootte van de gemiste ontvangen premiebetalingen, is in wezen niets anders dan een vordering tot het betalen van premies. Wat dat betreft volgt uit het belang van de schuldenaar, namelijk te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld, de vijfjaarstermijn zoals bepaald in artikel 3:308 BW niet zal worden verruimd. Appellanten worden in de proceskosten veroordeeld.
