Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 december 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:10413
Feiten
Werkgeefster VCTS B.V. (hierna: Van Caem) is een internationaal opererende onderneming die zich bezighoudt met wereldwijde import en export, waaronder internationale (parallel)handel in sterke drank. Werknemer is op 1 mei 2023 in dienst getreden bij Van Caem als trader en werkte uitsluitend binnen de productcategorie “liquor”. Hij was verantwoordelijk voor in- en verkoop en had contact met klanten en leveranciers, voornamelijk in Japan en Dubai. Het salaris bedraagt € 5.500 bruto per maand (40 uur per week), exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst bevat een discretionair bonusplan en ook een concurrentie- en relatiebeding. Tussen partijen ontstaat discussie over de hoogte van de bonus en de te werken uren. Op 31 januari 2025 heeft werknemer een e-mail met als onderwerp “formal complaint” gestuurd aan de HR-functionaris. Er volgen gesprekken waarin werknemer te horen krijgt dat in het kader van een betere balans tussen werk en privé zijn werkgebied wordt aangepast. Partijen hebben elk een andere beleving van de gesprekken, waarbij werknemer een van de gesprekken heimelijk heeft opgenomen. Werknemer verzoekt tot twee keer toe mediation. Op 24 februari 2025 heeft hij zich ziekgemeld met spanningsklachten. De mediation is zonder resultaat op 14 juli 2025 beëindigd. De HR-medewerker stelt dat nu partijen het niet eens kunnen worden over een beëindigingsregeling, Van Caem van mening is dat werknemer weer aan het werk moet. Van Caem laat tevens weten dat zij het gebruik van de geluidsopname van het gesprek waarvan hij haar recent op de hoogte heeft gesteld “echt ongepast en een vorm van chantage” vindt. Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat Van Caem een onveilige werkomgeving heeft gecreëerd door buitensporige werktijden op te leggen en de bezwaren van hem daartegen bagatelliseert, terwijl Van Caem zich niet hield aan gemaakte (bonus)afspraken en zonder overleg hem van de Japanse markt heeft afgehaald en hem onder druk heeft gezet om een beëindigingsvoorstel te accepteren. Van Caem verzoekt een voorwaardelijke ontbinding.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer terecht heeft geklaagd over de werkuren, nu hij in plaats van de overeengekomen 40 uur per week structureel 50 uur per week werkt (en bij dienstreizen nog meer). Ten aanzien van de discussie over de bonussen oordeelt de kantonrechter dat Van Caem door te handelen zoals zij heeft gedaan, zich niet gedragen als goed werkgever. Een werknemer moet ervan op aan kunnen dat de werkgever zich houdt aan de afspraak om bij het behalen van de doelen de overeengekomen beloning uit te keren, zonder dat gedurende de looptijd de eisen eenzijdig naar boven worden bijgesteld. Het beroep van Van Caem op de volgens haar penibele financiële situatie rechtvaardigt haar ingreep onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Ook oordeelt de kantonrechter dat werknemer zich terecht heeft beklaagd over de manier waarop hij door Van Caem is behandeld en dat Van Caem daar niet passend op heeft gereageerd. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2026, waarbij naast de transitievergoeding een billijke vergoeding van € 25.000 wordt toegekend omdat Van Caem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daardoor kan Van Caem ook geen rechten meer ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding. Voor het geval werknemer gebruikmaakt van zijn bevoegdheid het verzoek in te trekken wordt op grond van het voorwaardelijk tegenverzoek de arbeidsovereenkomst alsnog per 1 januari 2026 ontbonden. Omdat van verwijtbaar handelen laat staat ernstig verwijtbaar handelen van werknemer geen sprake is, heeft hij eveneens aanspraak op de transitievergoeding, de billijke vergoeding, volledige advocaatkosten en de eindafrekening.
