Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 september 2023 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van Packaging operator. In december 2024 heeft zich een incident voorgedaan met een collega, waarbij dreigende taal door de collega tegen werknemer is geuit. Volgens werknemer werd hij ook bedreigd met een stanleymes. Op 5 december 2024 is werknemer ziek uitgevallen. Vervolgens is werknemer gestart met traumabehandeling bij de psychiater en later met een EMDR-behandeling bij de MET GGZ, omdat het incident met de collega trauma’s bij hem heeft getriggerd uit zijn oorlogssituatie in het verleden. Tijdens deze behandeling wilde werknemer niet meewerken aan de door de bedrijfsarts geadviseerde mediation. Ook is werknemer een aantal keer niet bij de bedrijfsarts verschenen. Het UWV heeft geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van werknemer over de periode van 5 december 2024 tot 19 mei 2025 onvoldoende waren. Op 19 september 2025 hebben partijen afgesproken dat werknemer vanaf 7 oktober weer zijn werkzaamheden zou opbouwen. Op 7 oktober 2025 is werknemer echter niet op werk verschenen en was hij niet bereikbaar voor werkgeefster. Werkgeefster heeft daarom diezelfde dag een loonstop aangekondigd. Vervolgens hebben partijen contact gehad. Werkgeefster heeft toen een vaststellingsovereenkomst aangeboden en aangegeven dat niet meer van haar verlangd kan worden dat de re-integratie wordt voortgezet. Zij heeft in een andere procedure dan ook verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op 28 oktober 2025 heeft de gemachtigde van werknemer verzocht hem opnieuw uit te nodigen voor het spreekuur van de bedrijfsarts. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werknemer om hem te laten re-integreren en te werk te stellen in zijn eigen functie, rekening houdend met zijn huidige, nog bestaande beperkingen op straffe van een dwangsom van € 500 per dag en veroordeling van werkgeefster tot betaling van 100% van het salaris vanaf 7 oktober 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot op heden nog voortduurt en werknemer nog steeds ziek is, is werkgeefster gehouden werknemer te laten re-integreren in zijn eigen functie. Nu werknemer heeft aangegeven dat het niet goed met hem ging en hij werkgeefster heeft verzocht om hem opnieuw op het spreekuur van de bedrijfsarts uit te nodigen, had het op de weg van werkgeefster gelegen om opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen. Nu werkgeefster dit niet heeft gedaan, zal de vordering van werknemer worden toegewezen in die zin dat werkgeefster wordt veroordeeld werknemer te laten re-integreren in zijn eigen functie, volgens de laatste inzichten van de bedrijfsarts, die volgen uit een nader te maken afspraak op het spreekuur bij de bedrijfsarts. De kantonrechter ziet aanleiding om de hieraan gekoppelde en door werknemer gevorderde dwangsom te matigen tot € 100 per dag en daaraan een maximum te verbinden van € 10.000. Wel is de kantonrechter van oordeel dat de loonstop op 7 oktober 2025 terecht is gegeven, omdat werknemer die dag niet op het werk is verschenen en niets heeft laten weten. De kantonrechter is van oordeel dat hervatting van het loon wel toewijsbaar is vanaf 28 oktober 2025 omdat het voor werkgeefster kenbaar was dat werknemer vanaf dat moment wel wilde meewerken aan re-integratie en werkgeefster ondanks het verzoek van werknemer niet opnieuw de bedrijfsarts heeft ingeschakeld. De vordering tot betaling van 100% van het loon (tegen welke hoogte werkgeefster geen verweer heeft gevoerd) met emolumenten wordt daarom toegewezen met ingang van 28 oktober 2025. Over dit salaris is werkgeefster tevens de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd.
