Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgever c.s.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 7 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:193
Inlener en formeel werkgever aansprakelijk: er moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een werknemer zich mogelijk zou bezeren aan metalen onderdelen van de installaties met scherpe randen.

Feiten

Werknemer is op 17 april 2023 in dienst getreden bij formeel werkgever op basis van een uitzendovereenkomst. Formeel werkgever heeft op 23 december 2021 een overeenkomst gesloten met X B.V. Werknemer is op grond van deze overeenkomst tewerkgesteld bij inlener in de functie van schoonmaker. In de nacht van 5 op 6 mei 2023 heeft werknemer tijdens de uitoefening van zijn schoonmaakwerkzaamheden bij inlener een arbeidsongeval gehad, waarbij hij met zijn hoofd tegen de constructie van een machine is aangelopen. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat formeel werkgever en D hoofdelijk aansprakelijk zijn. Formeel werkgever heeft inlener en D opgroepen in vrijwaring. Inlener heeft D opgeroepen in vrijwaring.

Oordeel

Vaststaat dat de installaties die werknemer moest schoonmaken, alsmede de hogedrukslangen waarmee hij dit moest doen, van inlener zijn. Voorts staat vast dat werknemer deze schoonmaakwerkzaamheden op de bedrijfslocatie van inlener uitvoerde. Ter zitting is gebleken dat inlener zelf de veiligheidsvoorschriften ten aanzien van het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden opstelde en aan formeel werkgever doorstuurde en dat formeel werkgever deze vervolgens aan de uitzendkrachten verstrekte. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat inlener al dan niet indirect, (mede)zeggenschap had over de veiligheid van de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden. Dat inlener het toezicht op en de zeggenschap over de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden contractueel bij D had neergelegd, laat onverlet de invloed die inlener (ook) had op de werkomstandigheden van werknemer en de daaraan verbonden veiligheidsrisico's.  Dat inlener de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden heeft uitbesteed, is weliswaar een begrijpelijke bedrijfsmatige keuze, maar leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie dat deze werkzaamheden niet tot de bedrijfsvoering van inlener behoren. De conclusie is dat artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing is op de relatie tussen inlener en werknemer. De kantonrechter neemt verder als vaststaand aan dat werknemer zich ten tijde van het ongeval onder de transportband bevond, dat hij uit een gebukte positie omhoog kwam en dat hij zijn hoofd heeft gestoten tegen een scherpe rand van een metalen onderdeel van de transportband. Nu vaststaat dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, zijn formeel werkgever en inlener daarvoor hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 2 en 4 BW, tenzij zij aantonen dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer. Van opzet of bewuste roekeloosheid is geen sprake (geweest). Hoewel vaststaat dat werknemer verschillende trainingen heeft gevolgd en documenten heeft ontvangen van formeel werkgever, is de kantonrechter van oordeel dat formeel werkgever niet heeft aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Er is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een bedrijfsrisico waarvoor een zorgverplichting voor formeel werkgever als werkgever geldt. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter dat op grond van artikel 7:658 BW een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte mag worden verwacht.  Formeel werkgever had daarom rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een ongeval zich zou voordoen en een werknemer zich mogelijk zou bezeren aan metalen onderdelen van de installaties met scherpe randen. Dat er mogelijk sprake is geweest van enige onoplettendheid bij het omhoog komen van werknemer vanuit zijn gebukte positie, zoals formeel werkgever stelt, maakt het voorgaande niet anders. Formeel werkgever moet als werkgever rekening houden met het ervaringsfeit van mogelijke onoplettendheid van een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is bovendien dat formeel werkgever erop heeft toegezien dat werknemer werd voorzien van een instructie of waarschuwing ten aanzien van dit specifieke gevaar. Inlener heeft slechts gesteld dat op hem geen zorgplicht rust omdat hij niet als materieel werkgever van werknemer kan worden aangemerkt. Daarin volgt de kantonrechter inlener niet. Nu inlener niet heeft gesteld dat en hoe hij heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht, is hij om die reden als inlenende partij op grond van artikel 7:658 lid 4 BW (mede)aansprakelijk voor de schade die werknemer op 6 mei 2023 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden en mogelijk nog lijdt.