Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 19 december 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:9082
Werkgever verzoekt ontbinding (g-grond). Partijen zijn op mondelinge behandeling in overleg getreden en hebben vaststellingsovereenkomst gesloten die is opgenomen in proces-verbaal. Ontbinding arbeidsovereenkomst met beëindigingsvergoeding (inclusief transitievergoeding) van € 16.000 bruto.

Feiten

Werknemer is in dienst van werkgeefster. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer voert verweer. Partijen zijn op de mondelinge behandeling van 15 december 2025 in overleg getreden en hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten die is opgenomen in een proces-verbaal.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat er een verstoorde arbeidsverhouding is, zodanig dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, alsmede dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Dit levert een redelijke grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is een opzegverbod, maar dit opzegverbod staat niet in de weg aan ontbinding. Het verzoek om ontbinding houdt namelijk geen verband met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De kantonrechter wijst daarom de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2026 toe. Partijen zijn in het proces-verbaal overeengekomen dat werkgeefster vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan werknemer is verschuldigd een beëindigingsvergoeding van € 16.000 bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding geacht wordt te zijn begrepen. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van die beëindigingsvergoeding. De kantonrechter bepaalt verder dat partijen uitvoering dienen te geven aan de afspraken opgenomen in het proces-verbaal van 15 december 2025.