Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 5 december 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:15307
Feiten
Vanaf 1 februari 2020 werkt werkneemster bij Erasmus Universiteit Medisch Centrum Rotterdam (hierna: ‘Erasmus MC’) als verpleegkundige op oproepbasis. Werkneemster is door Erasmus MC steeds opgeroepen om te werken op de Kliniek Interne Oncologie. In de arbeidsovereenkomst is voor zover van belang opgenomen: “De werkzaamheden kunnen worden verricht op alle locaties van werkgever. De standplaats kan indien het belang van werkgever dit vraagt, wijzigen.” Tijdens de avonddienst van 4 juni heeft een incident plaatsgevonden. Werkneemster heeft daarna niet meer gewerkt. Over de maanden juni, juli en augustus 2024 heeft werkneemster de uren waarvoor zij was ingeroosterd wel betaald gekregen. Erasmus MC heeft per brief van 7 oktober 2024 aan werkneemster bericht dat ze haar niet meer zal inzetten op de Kliniek Interne Oncologie, maar dat ze haar graag als oproepkracht wil behouden en wil inzetten op de afdeling Ambulante zorg. Erasmus MC heeft daarom aan werkneemster verzocht om haar beschikbaarheid tot en met 1 januari 2025 door te geven. Ondanks verschillende herinneringen heeft werkneemster niet gereageerd. Pas per e-mail van 8 februari 2025 heeft werkneemster aan Erasmus MC voor zover van belang bericht: “Ondertussen hou ik mij te allen tijde beschikbaar voor de werkzaamheden zoals contractueel is vastgelegd”. Erasmus MC heeft werkneemster vervolgens opgeroepen voor 4 dagdiensten in februari 2025 op de afdeling Ambulante Zorg. Omdat werkneemster niet reageerde, heeft Erasmus MC werkneemster gebeld. In dat telefoongesprek heeft werkneemster laten weten de diensten niet te willen uitvoeren. Werkneemster heeft zich op 14 april 2025 ziekgemeld. Vanaf dat moment heeft Erasmus MC de loonbetaling, zoals deze op grond van de cao tijdens ziekte geldt, hervat. Tussen partijen gaat het in dit kort geding om de vraag of werkneemster recht heeft op betaling van achterstallig loon vanaf september 2024.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of het niet verrichten van de overeengekomen arbeid na het incident in juni 2025 al dan niet in redelijkheid voor rekening van werkneemster behoort te komen (artikel 7:628 lid 1 BW). De arbeidsovereenkomst geeft Erasmus MC de mogelijkheid om werkneemster op verschillende locaties in te zetten. Voor een wijziging van de ‘standplaats’ is opgenomen dat Erasmus MC daar ‘belang’ bij heeft. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat Erasmus MC in verband met het incident op 4 juni 2024 voldoende belang had om werkneemster op een andere afdeling in te zetten. Erasmus MC heeft kunnen besluiten werkneemster diensten aan te bieden op de afdeling Ambulante Zorg. Werkneemster heeft daarom ten onrechte geweigerd de diensten te aanvaarden. Het niet werken komt daarom in redelijkheid voor rekening van werkneemster. Dit heeft tot gevolg dat werkneemster over de periode september 2024 tot 14 april 2025 geen recht heeft op loonbetaling.
