Naar boven ↑

Rechtspraak

Staat Der Nederlanden/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13 januari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:9
De Staat komt in hoger beroep op tegen toekenning transitievergoeding aan penitentiair inrichtingswerker.

Feiten

De Staat der Nederlanden heeft bij de kantonrechter ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer verzocht. Werknemer was in dienst als medior penitentiair inrichtingswerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI/PI Rotterdam). De Staat legde aan dat verzoek ten grondslag dat werknemer in privétijd betrokken is geweest bij een geweldsincident, waarvoor hij door de strafrechter ook is veroordeeld. Werknemer verweerde zich tegen het verzoek, omdat hij tegen de strafrechtelijke veroordeling hoger beroep heeft aangetekend en het hof nog niet heeft beslist op dat hoger beroep. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en aan werknemer de transitievergoeding toegekend. Tegen de toekenning van de transitievergoeding komt de Staat op in hoger beroep met de volgende grieven: (1) een verklaring voor recht dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van de zogeheten e-grond door in de nacht van 9 op 10 juli 2021 geweld te gebruiken jegens zijn ex-zwager, (2) een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding verschuldigd is wegens ernstig verwijtbaar handelen van werknemer, en (3) veroordeling tot terugbetaling van de transitievergoeding van € 7.763,91 (bruto) met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat de Staat onvoldoende belang heeft bij bespreking van de grieven 1 tot en met 3. Het hof komt tot de conclusie dat de beslissing van de kantonrechter tot toewijzing van de transitievergoeding juist is. Een eventueel andersluidend oordeel in hoger beroep over de e-grond als primaire grondslag van het ontbindingsverzoek zou daarin geen verandering brengen. De Staat heeft in het petitum van het beroepschrift een verklaring voor recht verzocht dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van de e-grond. De Staat heeft echter niet uit de doeken gedaan welk zelfstandig belang hij daarbij heeft. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de Staat bovendien gezegd dat er geen speciale reden is waarom is gekozen voor (onder meer) deze verklaring voor recht. In dit hoger beroep staat dus uitsluitend ter beoordeling of aan werknemer de transitievergoeding van € 7.763,91 bruto toekomt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat de rechter terughoudend moet zijn met het aannemen van ernstige verwijtbaarheid van werknemer en dat daarvan slechts sprake is in duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werknemerschap. Duidelijk is dat al geruime tijd een conflictsituatie tussen de zus van werknemer en haar ex-partner bestond. Er zijn aanwijzingen dat werknemer, rijdend op zijn fiets, van achteren werd aangereden door de auto die werd bestuurd door de ex-zwager. Aannemelijk is dat hij als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Dat een en ander tot een heftige emotionele reactie van werknemer heeft geleid, acht het hof invoelbaar. Onder deze omstandigheden merkt ook het hof de gedraging van werknemer niet aan als ernstig verwijtbaar handelen. De grieven van de Staat falen.