Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./werkgever c.s.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 24 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11615
Arbeidsmigranten die via een uitzendbureau werkzaam waren bij werkgever hebben recht op nabetaling van loon. Inlener hoofdelijk aansprakelijk voor niet (volledig) betaalde loonvorderingen.

Feiten

Zes werknemers zijn via een uitzendbureau tijdelijk ingezet bij werkgever X in de periode tot en met 8 november 2024. Werkgever X en werkgever Y erkennen dat deze verzoekers kort via het uitzendbureau bij werkgever X werkzaam waren en hebben stukken overgelegd, waaronder facturen, loonstroken en betalingsbewijzen, waaruit volgt dat de verzoekers zijn betaald. Betwist is of alle gevorderde bedragen over de betreffende periode tijdig en volledig zijn voldaan. In de beschikking van 20 juni 2025 is geoordeeld dat de tegen werkgever X en werkgever Y gerichte (primaire) verzoeken van de vijf verzoekers toewijsbaar zijn, maar de beslissing was aangehouden vanwege onduidelijkheid over de inlenende partij werkgever X of werkgever Y en eventuele gevolgen van het incidentele verzoek. Inmiddels staat vast dat werkgever X de inlenende partij is.

Verzoek in de hoofdzaak

Alle werknemers handhaven hun vorderingen tot betaling van de brutoloonbedragen over de periode tot 8 november 2024, vermeerderd met vakantietoeslag en wettelijke rente, nu vaststaat dat zij in de betreffende periodes werkzaam waren en dat betaling niet betwist werd. Zij sluiten aan bij de erkenning dat werkgever X de aan te spreken partij is. Werkgever X en werkgever Y hebben in het incident verweer gevoerd, maar dit had eerder in de hoofdzaak ingebracht kunnen worden. Daarbij ontbreekt feitelijke concretisering en uitleg van de overgelegde stukken met betrekking tot de individuele aanspraken.

Verzoek in het incidentele verzoek

Het incidentele verzoek was gericht op duidelijkheid over de inlenende vennootschap en de inzet van de verzoekers via het uitzendbureau. Hoewel dit verzoek nu wordt afgewezen wegens het ontbreken van een actueel belang, hebben de in het verweerschrift in het incident overgelegde stukken deels voorzien in de gevraagde duidelijkheid.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De loonbedragen waarover de verzoekers betaling hebben gevorderd zijn toewijsbaar. De vijf verzoekers waren gedurende de betrokken periodes via een uitzendbureau daadwerkelijk bij werkgever X werkzaam. Over die periodes is aan hen geen loon betaald, en dit is door werkgever X en werkgever Y niet effectief betwist. Ook de door werkgever X en werkgever Y overgelegde stukken in het incidentaire verweer leveren onvoldoende onderbouwing om te stellen dat het niet betalen van het loon aan het uitzendbureau niet aan hen kan worden toegerekend. De kantonrechter constateert bovendien dat de stukken en argumenten die werkgever X en werkgever Y nu aandragen, eerder in de hoofdzaak hadden kunnen worden ingebracht, en dat het achterhouden van deze informatie strijdig is met een goede procesorde. Weliswaar zijn enkele loonbedragen in juli 2025 aan de verzoekers overgemaakt, maar deze betalingen hebben betrekking op de gevorderde periodes en worden daarom in mindering gebracht op het gevorderde bedrag. Gelet hierop wordt werkgever X, als de inlenende partij, veroordeeld tot betaling van de openstaande loonbedragen, inclusief de wettelijke vakantietoeslag en de wettelijke rente. De proceskosten van de hoofdzaak komen eveneens voor rekening van werkgever X en worden begroot op € 814 aan salaris gemachtigde, € 135 aan nakosten, plus de kosten van betekening.

Incidentele verzoek

Ten aanzien van het incidentele verzoek overweegt de kantonrechter dat dit verzoek voornamelijk was gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over de inlenende vennootschap en de inzet van de verzoekers via het uitzendbureau. Nu uit de stukken in het incident voldoende blijkt dat werkgever X de inlenende partij is en dat de verzoekers daadwerkelijk in dienst waren via het uitzendbureau, is het actuele belang van het incidentele verzoek komen te vervallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Ondanks deze afwijzing worden de proceskosten van het incidentele verzoek aan werkgever X opgelegd en begroot op € 406,50 salaris gemachtigde. De kantonrechter concludeert daarmee dat de primaire vorderingen van de verzoekers over de periode tot 8 november 2024 toewijsbaar zijn, met inachtneming van de reeds betaalde bedragen, terwijl het incidentele verzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van een actueel belang.