Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 24 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11551
Feiten
Werknemer is per 5 februari 2024 in dienst getreden bij CE Repair Services Dordrecht B.V. (hierna: CERS) in de functie van service technician external. Op 4 maart 2025 heeft een videogesprek plaatsgevonden waarin aan werknemer te kennen is gegeven dat zijn contract zal worden verlengd. Werknemer heeft na 3 april 2025 feitelijk doorgewerkt. Vanaf 18 april 2025 is werknemer volledig arbeidsongeschikt. Op 4 mei 2025 is een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voorgelegd aan werknemer, die deze op 7 mei 2025 (digitaal) heeft ondertekend. De in dit contract opgenomen ingangsdatum is 4 mei 2025 en de einddatum 31 maart 2026. Werknemer vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter CERS bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om aan hem te betalen het tussen partijen geldende loon vanaf 31 maart 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Werknemer legt aan de vordering ten grondslag dat partijen discussiëren over de aard van de thans tussen hen geldende arbeidsovereenkomst; werknemer stelt dat er sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, terwijl CERS van een bepaaldetijdscontract uitgaat dat eindigt op 31 maart 2026. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een onbepaaldetijdscontract beroept werknemer zich primair op de cao en subsidiair op de ketenregeling. Inhoudelijk betwist CERS dat sprake is van een onbepaaldetijdsovereenkomst. Volgens haar zijn partijen mondeling een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeengekomen en is deze overeenkomst alleen door computerproblemen pas later schriftelijk vastgelegd. Daarnaast voert CERS aan dat er sprake is geweest van een administratieve fout, omdat in die schriftelijke overeenkomst als begindatum 4 mei 2025 in plaats van 4 april 2025 is opgenomen. Voor beide partijen was echter duidelijk dat zij een bepaaldetijdscontract waren overeengekomen dat aansloot op de eerdere arbeidsovereenkomst, aldus CERS.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft onweersproken gesteld dat aannemelijk is dat hij op 31 maart 2026 nog arbeidsongeschikt is. Het is daarom voor hem van belang te weten wat zijn arbeidsrechtelijke positie per die datum is. Gelet op de huidige doorlooptijden acht de kantonrechter de kans reëel dat werknemer in een bodemprocedure daarover niet tijdig duidelijkheid zou hebben verkregen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer daarom een spoedeisend belang bij zijn vordering. De kantonrechter volgt werknemer vooralsnog niet in zijn standpunt dat er op basis van de cao sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er is wel degelijk sprake van een schriftelijke overeenkomst. Deze is weliswaar niet vóór de einddatum van de voorgaande overeenkomst (eindigend op 3 april 2025) opgemaakt, maar feit is dát er een nieuwe schriftelijke overeenkomst is. Daarnaast is van belang dat partijen op 4 maart 2025 hebben gesproken over de verlenging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de cao niet zo strikt moet worden uitgelegd dat in een geval als dit, waarin aannemelijk is dat mondeling (tijdig, vóór het eindigen van de op dat moment geldende overeenkomst) een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, maar deze overeenkomst pas later schriftelijk wordt vastgelegd, automatisch sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Vast staat dat op 4 maart 2025 via een videogesprek is gesproken over de verlenging van het contract. Vanuit CERS is verklaard dat in dat gesprek is gezegd dat het een bepaaldetijdscontract zou worden, onder dezelfde arbeidsvoorwaarden, en dat werknemer daar positief op heeft gereageerd. Werknemer heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich e.e.a. niet meer kan herinneren. De kantonrechter acht voorshands aannemelijk dat partijen op 4 maart 2025 mondeling een verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen, aansluitend op de tweede arbeidsovereenkomst. Dat deze overeenkomst pas op 4 mei 2025 schriftelijk is opgemaakt, betekent niet dat op dat moment een vierde overeenkomst tot stand is gekomen. CERS heeft gesteld dat per ongeluk het cijfer 5 in plaats van 4 bij de maand is ingevuld, waardoor in de automatisch gegenereerde arbeidsovereenkomst de maand mei in plaats van april is komen te staan. Mede gelet op de door CERS overgelegde interne communicatie en hetgeen in de schriftelijke arbeidsovereenkomst die is opgemaakt op 4 mei 2025 staat, acht de kantonrechter voorshands aannemelijk dat partijen op 4 maart 2025 een bepaaldetijdsovereenkomst hebben gesloten met als einddatum 31 maart 2026. Dat betekent dat het bestaan van een loonvordering vanaf die datum voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
