Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 december 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:8563
Werknemer is met ingang van 1 december 1984 als chauffeur in dienst getreden bij werkgever (oud). Op de arbeidsovereenkomst was geen cao van toepassing. Per 1 januari 2014 is werknemer als gevolg van een overgang van onderneming bij werkgeefster in dienst getreden. Werknemer ontvangt sindsdien een persoonlijke toeslag, die wordt afgebouwd met elke initiële en tredeverhoging. Kern van het geschil is de vraag of die afbouwregeling rechtsgeldig is. Werknemer heeft bij de kantonrechter gevorderd werkgeefster te veroordelen tot betaling van het openstaande bedrag aan persoonlijke toeslag en de cao-verhogingen daarover, met nevenvorderingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de toekenning van een persoonlijke toeslag en de afbouw ervan rechtsgeldig zijn. De cao bevat geen regeling voor de rechten van werknemers bij overgang van onderneming. Dat betekent dat op dit punt werkgevers en werknemers afwijkende regelingen kunnen treffen. De persoonlijke toeslag is daarom niet in strijd met de cao en daarom rechtsgeldig. Op grond van Richtlijn 2001/23/EG hoeft geen rekening te worden gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen, maar dienen slechts de bestaande arbeidsvoorwaarden ten tijde van de overgang van onderneming gehandhaafd te worden. Gelet hierop is de kantonrechter - anders dan het hof - van oordeel dat er niet van uit kan worden gegaan dat de arbeidsvoorwaarden van werknemer als gevolg van het afbouwbeding zijn verslechterd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en werknemer veroordeeld in de proceskosten. Werknemer is het daar niet mee eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft de chauffeurs voorafgaande aan de overgang van de onderneming in december 2013 nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen, waarin de afbouwregeling voorkomt. Daarmee deden de chauffeurs afstand van hun recht op salarisverhoging voor de duur van de afbouwregeling. Gezien het verschil in salaris tussen het bij werkgeefster geldende loon en het cao-loon, betekende dit dat de chauffeurs gedurende een lange periode geen salarisverhoging zouden ontvangen. Dat is een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgeefster had (ten minste) rekening moeten houden met het bij Baxter bestaande recht op salarisverhoging door deze op enigerlei wijze mee te nemen in de nieuwe arbeidsvoorwaarden of een voor te stellen afbouwregeling. Zij heeft de arbeidsvoorwaarden van de door haar overgenomen werknemers voorafgaande aan de overname door de afbouwregeling op termijn willen aanpassen aan het cao-loon. Dat is een wijziging van de arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van de onderneming en niet toegestaan. De werknemer behoort immers niet in de positie gebracht te worden waarin een verkrijger het behoud van de arbeidsovereenkomst bij de overgang afhankelijk stelt van instemming van de werknemer met verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden. Werkgeefster heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 7:663 BW. De daarmee samenhangende rechtshandelingen zijn nietig. Dat geldt ook voor de afbouwregeling. Werkgeefster heeft zich beroepen op verjaring van de vordering voor zover die ziet op de periode vóór 23 maart 2018. Op grond van artikel 3:307 BW verjaart een loonvordering na verloop van vijf jaar na, kort gezegd, de opeisbaarheid. Partijen zijn het erover eens dat de onder 3.5 genoemde brief van 23 maart 2023 een stuitingshandeling is in de zin van de wet (artikel 3:317 BW). Nu de vordering ingaat vijf jaar voorafgaande aan de stuitingshandeling en de berekening dus is aangepast aan de verjaringstermijn gaat dit beroep niet op. De vordering tot betaling van de persoonlijke toeslag wordt toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
