Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 2 september 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2385
Feiten
Werknemer is op 1 december 2020 in dienst getreden bij De Rijke Veiligheidsmiddelen & Services B.V. (hierna: De Rijke), met een arbeidsovereenkomst waarop de cao Metaal en Techniek Metaalbewerkingsbedrijf (hierna: de cao) van toepassing is verklaard. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 december 2023. Werknemer stelt dat hij volgens de cao over de jaren 2020, 2021 en 2022 recht heeft op 216,96 aan niet toegekende ADV-uren. Conform de cao moeten niet toegekende ADV-uren worden omgezet in een geldelijke vordering. De Rijke betwist echter dat werknemer recht heeft op betaling van ADV-uren over 2020, 2021 en 2022. Werknemer heeft een loon ontvangen gebaseerd op een werkweek van 40 uur, terwijl de cao een 38-urige werkweek hanteert. Volgens De Rijke heeft werknemer daardoor twee uur per week ‘te veel’ loon ontvangen. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat werknemer recht heeft op uitbetaling van € 5436,14 bruto wegens niet toegekende ADV-uren over 2020, 2021 en 2022, te vermeerderen met wettelijke verhoging (20%) en rente. De Rijke komt van dit vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. De cao is een zogenoemde minimum-cao. Vast staat dat werknemer tijdens zijn dienstverband bij De Rijke 40 uur per week heeft gewerkt en daarvoor salaris ontving dat in de arbeidsovereenkomst als volgt is omschreven: ‘Het salaris bedraagt € 3.700,00 bruto per maand. Het uurloon is derhalve € 21,35 bruto.’ Van enige strijdigheid met de cao, zoals De Rijke betoogt, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Uit de cao volgt immers niet dat een 40-urige werkweek niet is toegestaan. Evenmin sluit de cao het recht op ADV-uren bij een 40-urige werkweek uit. Kennelijk gaat De Rijke zelf hier vanaf 2023 ook van uit, aangezien zij vanaf dat jaar haar werknemers die 40 uren per week werken en uitbetaald krijgen, daarnaast twee ADV-uren per week toekent. Verder staat vast dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst niet hebben gesproken over het recht op ADV-dagen overeenkomstig de cao. Zij hebben immers geen andersluidende of aanvullende afspraken gemaakt over het recht van werknemer op ADV-uren of de voorwaarden waaronder deze zouden worden toegekend. Noch De Rijke noch werknemer heeft op dit punt de vaststelling van de kantonrechter bestreden. Dat over de relevante jaren de ADV-uren feitelijk zijn uitbetaald is daarom niet gebleken. Werknemer mocht er op basis van de arbeidsovereenkomst en de daarin van toepassing verklaarde cao dan ook op vertrouwen dat hij naast zijn 40-urige werkweek met een maandsalaris van € 2.213,50 bruto exclusief vakantiegeld ook recht had op ADV-uren. Als hiermee al is afgeweken van de cao, moet dit worden gezien als een afwijking ten voordele van werknemer als werknemer. Dat is op basis van de cao toegestaan. De Rijke heeft nog een beroep gedaan op schending van de klachtplicht, maar gelet op overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat er tussen partijen al in juni 2022 discussie was over de ADV-uren. Het beroep van De Rijke op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt evenmin. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.
