Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 17 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11361
Loonvordering van zieke werkneemster die in het restaurant van haar ouders werkte, wordt in kort geding deels toegewezen. Ten aanzien van de urenomvang en de aard van de werkzaamheden is nader onderzoek nodig.

Feiten

Werkneemster is op 16 juni 2020 als keukenhulp en vakkracht gaan werken bij het restaurant van haar ouders (werkgeefster). In haar arbeidsovereenkomst is een arbeidsomvang van 38 uur per week opgenomen. In het verleden is werkneemster arbeidsongeschikt geweest op basis waarvan zij een WIA-uitkering ontving. Op 27 juni 2023 heeft werkneemster de boekhouder van werkgeefster laten weten dat zij per 1 juni 2023 uit dienst gaat. Op 24 december 2024 heeft werkneemster aan de boekhouder laten weten dat zij vanaf 1 december 10 uur uitbetaald wil krijgen in verband met een bericht dat zij heeft ontvangen van de SVB. Op 21 april 2025 hebben de ouders van werkneemster laten weten dat zij met pensioen gaan en de onderneming daarom zullen staken. Werkneemster heeft zich op 30 april 2025 (met terugwerkende kracht) vanaf 21 april 2025 ziekgemeld. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werkneemster dat de voorzieningenrechter haar ouders en het restaurant hoofdelijk veroordeelt tot betaling van het haar toekomende loon over de periode mei tot en met oktober 2025, vermeerderd met vakantietoeslag, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en het loon gedurende de resterende duur van arbeidsongeschiktheid. Zij stelt daarbij dat zij vanaf december 2024 haar loon deels wit (voor 10 uur) en deels zwart uitbetaald kreeg. Volgens werkneemster werkte zij feitelijk 12 uur per dag (48 uur per week), maar heeft ze ervoor gekozen haar loonvordering te beperken tot de contractuele arbeidsomvang van 38 uur per week. Ook stelt werkneemster dat zij op grond van de Horeca-cao onderbetaald wordt, omdat de functie van keukenhulp niet de lading dekt en zij veel meer werkzaamheden verrichtte. Werkgeefster betwist daarentegen dat er sprake is geweest van een fulltime dienstverband en dat werkneemster meer werkzaamheden zou hebben verricht dan die van een keukenhulp/vakkracht. Volgens haar is werkneemster in de periode mei 2023 tot december 2024 uit dienst geweest en is zij op eigen verzoek vanaf december 2024 weer begonnen met 10 uren per week op papier. Feitelijk werkte werkneemster volgens haar niet meer dan 20 uur per week.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt vast dat de stellingen van partijen over de feitelijke gang van zaken ver uit elkaar liggen en elkaar tegenspreken. Om goed te kunnen beoordelen hoeveel uren werkneemster werkte en wat haar werkzaamheden waren, is nader onderzoek nodig, waarvoor geen ruimte is in het kader van deze kortgedingprocedure. Nu werkgeefster tijdens de mondelinge behandeling wel heeft erkend dat er de afgelopen periode te weinig loon is betaald aan werkneemster zal de kantonrechter in deze procedure voorshands oordelen dat werkneemster in ieder geval verloond moest worden voor 20 uur per week. Dit volgt immers uit de stellingen van werkgeefster. De kantonrechter gaat daarbij voorlopig uit van (het eindloon van) functieschaal 3 van de Horeca-cao, nu werkneemster haar stelling dat zij in een hogere functieschaal moet worden ingedeeld – mede gelet op de betwisting hiervan – niet heeft onderbouwd. Dit loon moet nog wel worden omgerekend naar 20 uur per week en de al betaalde nettobedragen moeten daarop in mindering worden gebracht. Daarnaast veroordeelt de kantonrechter werkgeefster tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallig salaris. Voor matiging is geen grond, nu het aan een werkgever is om de arbeidsomvang goed te documenteren. Tot slot dienen ook de toekomstige loonbetalingen door werkgeefster te worden gedaan totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig en onherroepelijk is geëindigd.