Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23 december 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2790
Feiten
Werknemer werkte sinds 1 september 1977 bij Shin-Etsu PVC B.V. (hierna: Shin-Etsu), laatstelijk in de functie van productieassistent. Hij is op 7 maart 2024 op staande voet ontslagen wegens betrokkenheid bij het plaatsen van restmaterialen uit de fabriek van Shin-Etsu in containers van een derde (Van Leeuwen/DCC), het opdracht geven voor het maken van poortbewijzen zodat de illegale containers het terrein van Shin-Etsu konden verlaten, het ontvangen en onder zich houden van contante gelden van die derde (Van Leeuwen/DCC) voor de restmaterialen en het aanwenden van die gelden voor etentjes en uitjes met collega’s. Werknemer heeft in eerste aanleg verzocht om toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Hij heeft ook een aantal nevenverzoeken ingediend. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet als rechtsgeldig kan worden aangemerkt, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Shin-Etsu had volgens de kantonrechter namelijk voortvarender moeten handelen nadat zij op 17 november 2023 er al een melding over kreeg dat werknemer mogelijk betrokken was bij fraude van restmaterialen. De kantonrechter heeft werknemer de wettelijke transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toegekend. Hoewel werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, was het volgens de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om deze niet toe te kennen (zie AR 2024-1141). Shin-Etsu is in hoger beroep gegaan nu zij het niet eens is met het oordeel van de kantonrechter.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Onverwijldheid en dringende reden
Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat Shin-Etsu wel voortvarend genoeg heeft gehandeld. Ten aanzien van het ontstane vermoeden van betrokkenheid van werknemer bij fraude met restmaterialen heeft Shin-Etsu aangevoerd dat zij op 17 november 2023 een mondelinge klokkenluidersmelding heeft ontvangen. Shin-Etsu heeft vervolgens direct contact opgenomen met Hoffmann en heeft op 22 november 2023 opdracht tot extern onderzoek verstrekt. Eveneens op 22 november 2023 is de melder door Hoffmann gehoord. Omdat het onderzoek tot 6 december 2023 nog niets had opgeleverd, is besloten om trackers te gaan plaatsen in containers die ongeregistreerd op het terrein stonden. Dit was best complex omdat de containers op het terrein van een derde werden bewaard. Verder golden voor het bestellen van de trackers formaliteiten die in acht moesten worden genomen en er was sprake van een levertijd. De eerste professionele tracker is op 12 december 2023 geplaatst. De betreffende container is op 20 december 2023 verplaatst, tijdens de kersttoespraak van het bedrijf, waardoor niet tijdig kon worden ingegrepen. Vervolgens is besloten een nieuwe ongeregistreerde container te tracken. Een nieuwe container is – waarschijnlijk in verband met de kerst/oud en nieuwperiode – pas op 10 januari 2024 op het terrein geplaatst/ gesignaleerd. Op 24 januari 2024 is daarin een tracker geplaatst. De container is op 30 januari 2024 in beweging gekomen en binnen acht minuten afgevoerd waardoor onderschepping niet is gelukt. Pas op 15 februari 2024 is – door een derde tracker – een container aan de poort van Shin-Etsu staande kunnen houden. Na het informeren van het hoger management, het inwinnen van juridisch advies en na afstemming met Hoffmann heeft Shin-Etsu besloten medewerkers te gaan horen. De datum daarvoor was bepaald op 27 februari 2024, omdat een ruimte moest worden gehuurd in een hotel en er vier medewerkers van Hoffmann (twee teams van elk twee personen) moesten worden ingeschakeld. Op 26 februari 2024 heeft werknemer zich ziekgemeld en kon het geplande verhoor niet doorgaan. Op 4 maart 2024 is werknemer hersteld gemeld en op de werkvloer verschenen en is het verhoor opnieuw gepland, op 5 maart 2024. Op die dag zijn eerst de andere verdachte medewerkers gehoord. Hieruit bleek hoe de fraude feitelijk plaatsvond en wat de rol van werknemer daarbij was. Vervolgens is werknemer die middag gehoord (en ook een andere medewerker). Na het tweede gesprek met werknemer op 7 maart 2024 – waarbij Shin-Etsu de bevindingen van gesprekken met vier andere medewerkers heeft kunnen meenemen – heeft Shin-Etsu werknemer op staande voet ontslagen. Het hof komt tot het oordeel dat Shin-Etsu gezien deze omstandigheden en de complexe situatie niet eerder tot het ontslag kon overgaan. Voor het ontslag had Shin-Etsu ook een dringende reden: werknemer heeft gedurende langere tijd, in ieder geval vanaf 2022, verschillende keren opdracht gegeven aan DCC om containers te plaatsen op het terrein van Shin-Etsu, hij gaf medewerkers van Shin-Etsu opdracht om in die containers restmateriaal te deponeren in plaats van in de daartoe bestemde containers, nadat deze gevuld waren met restmaterialen gaf hij opdracht deze weer af te voeren en gaf hij medewerkers opdracht daartoe een (vals) poortbewijs op te maken en werknemer heeft hiervoor geld ontvangen. De persoonlijke omstandigheden die werknemer aanvoert, leiden – mede gelet op zijn cruciale rol – niet tot een andere conclusie.
Billijke vergoeding en transitievergoeding
Het hof is van mening dat werknemer van zijn handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Toekenning van de transitievergoeding en billijke vergoeding is dan ook niet aan de orde. Anders dan de kantonrechter acht het hof het niet toekennen van de transitievergoeding aan werknemer niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Van een kleine misstap is namelijk geen sprake geweest. Werknemer had een lang dienstverband van 46 jaar maar heeft het vertrouwen dat Shin-Etsu in hem had ernstig beschaamd. Werknemer is daarentegen de gefixeerde schadevergoeding aan Shin-Etsu verschuldigd. Ook dient hij (een deel van) de onderzoekskosten aan Shin-Etsu te betalen.
De conclusie is dat het hoger beroep van Shin-Etsu slaagt. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de verzoeken van werknemer alsnog af.
