Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 december 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:15028
Feiten
GRM Expertise B.V. (hierna: GRM) is een expertisebureau voor letsel- en overlijdensschaderegelingen en het verrichten van toedrachtsonderzoeken. De enig aandeelhouder van GRM is Newco H. Newco H houdt 100% van de geplaatste aandelen in GRM. Newco H wordt bestuurd door Bfamily. Werknemer is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij GRM als operationeel directeur. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen. Werknemer is per 1 juni 2021 tevens benoemd tot statutair directeur van GRM. In december 2021 heeft werknemer 4,99% van de aandelen in Newco H van Bfamily gekocht. De overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen (hierna: de koopovereenkomst) bevat o.a. eveneens een non-concurrentiebeding. In de algemene vergadering van aandeelhouders van GRM van 27 mei 2025 is werknemer als statutair directeur ontslagen. Bij brief van 30 mei 2025 is de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2025. Werknemer is vervolgens een procedure gestart tegen GRM waarin hij onder meer een billijke vergoeding heeft gevorderd omdat er volgens werknemer geen grond bestond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft werknemer vernietiging van de non-concurrentiebedingen, inclusief boetebedingen, in zowel de arbeidsovereenkomst als de koopovereenkomst gevorderd. In een afzonderlijke procedure is geoordeeld dat GRM ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door werknemer te ontslaan en is aan werknemer (een deel van) de gevorderde billijke vergoeding toegekend. Daarnaast zijn het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de arbeidsovereenkomst vernietigd op grond van artikel 7:653 lid 4 BW. Werknemer is niet-ontvankelijk verklaard in onder meer zijn verzoek tot vernietiging van het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de koopovereenkomst. Daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat deze vorderingen niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen die verband houden met het einde van het dienstverband, hetgeen is vereist op basis van artikel 7:686a lid 3 BW, omdat Newco H en Bfamily geen partij zijn bij de arbeidsovereenkomst tussen GRM en werknemer. Werknemer vordert in deze procedure het concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de koopovereenkomst te schorsen.
Oordeel
De vraag die allereerst voorligt, is welke rol het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over het non-concurrentiebeding en boetebeding in de arbeidsovereenkomst speelt bij het oordeel over het non-concurrentiebeding en boetebeding in de koopovereenkomst in deze zaak. Volgens de afstemmingsregel dient de kortgedingrechter zich te richten naar de beoordeling van het geschil door de bodemrechter, ook als die beslissing nog niet onherroepelijk is. Vereist is daarbij wel dat die beoordeling (en beslissing) ziet op hetzelfde geschil. Aan die laatste eis is niet voldaan, zodat de afstemmingsregel niet van toepassing is. Het toetsingskader dat in deze zaak dient te worden toegepast is de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Newco H c.s. werknemer houdt aan het in de koopovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding, inclusief de duur daarvan. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beding werknemer als zodanig weliswaar hindert in het ten volle en naar eigen inzicht benutten van zijn kennis en ervaring, doch niet zodanig dat de hoge drempel van de onaanvaardbaarheid wordt gehaald. Voor een algehele schorsing met ingang van heden is dan ook geen aanleiding. Daarbij is meegewogen dat schorsing van het non-concurrentiebeding in feite neerkomt op een definitieve beslissing. Tegen de tijd dat een bodemrechter over deze kwestie oordeelt, is de reële verwachting dat werknemer al concurrerende werkzaamheden verricht en dus de door Newco H c.s. gevreesde schade al is aangericht. Gelet op het voorgaande is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op zichzelf niet onaanvaardbaar dat Newco H c.s. werknemer houdt aan het in de koopovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding. De termijn van twee jaar na overdracht van de aandelen acht de voorzieningenrechter echter wel onaanvaardbaar lang. Die wordt gematigd tot één jaar, vanaf de datum dat de aandelen zijn overgedragen.
