Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 december 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:15039
Feiten
Werknemer is sinds 22 november 2021 in dienst bij werkgeefster als operator productie A. Hij heeft zich op 18 april 2025 ziekgemeld. Op 24 april 2025 heeft werknemer aan zijn leidinggevende bericht dat hij zich fysiek en mentaal uitgeput voelt, geen motivatie meer heeft, kampt met depressieve gevoelens en dat zijn langste tijd bij werkgeefster erop zit. Op 28 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij werknemer heeft aangegeven dat hij niet meer terug wilde keren bij werkgeefster. Daarna heeft werkgeefster, ondanks pogingen daartoe, geen contact meer kunnen krijgen met werknemer. Werkgeefster heeft op 1 mei 2025 de arbodienst ingeschakeld, maar werknemer is steeds niet verschenen op gesprekken met de bedrijfsarts, waarvoor hij werd uitgenodigd. Werkgeefster heeft met ingang van 1 juli 2025 de loonbetaling aan werknemer gestaakt. Dit heeft er niet toe geleid dat werknemer contact opnam met werkgeefster. Werkgeefster verzoekt nu de arbeidsovereenkomst met werknemer op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair omdat er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond).
Oordeel
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Als het opzegverbod tijdens ziekte geldt, gaat de kantonrechter ervan uit dat het verzoek hier geen verband mee houdt (art. 7:671b lid 6 BW). Er is verder voldaan aan de voorwaarden voor opzegging (art. 7:669 lid 1 BW). Werkgeefster stelt (primair) dat er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (art. 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter vindt dat er sprake is van deze redelijke grond. Werknemer onttrekt zich immers structureel aan contact met werkgeefster en de bedrijfsarts, en als er sprake is van arbeidsongeschiktheid, dan weigert hij op deze manier ook medewerking te verlenen aan herstel en re-integratie. Dit acht de kantonrechter zodanig verwijtbaar dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 februari 2026 (art. 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van deze procedure, omdat niet wordt aangenomen dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Hoewel niet is vastgesteld wat de gezondheidssituatie van werknemer precies is, lijkt hij in een slechte psychische toestand te verkeren. Werkgeefster heeft op de zitting beaamd dat dat inderdaad het geval lijkt te zijn. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat de gedragingen van werknemer hem in ernstige mate kunnen worden toegerekend. Daarmee kan er niet worden geconstateerd dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid.
