Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 5 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11218
Feiten
Werkgever is actief in de kappersbranche. Op 1 februari 2022 is werknemer in dienst getreden bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden. Deze arbeidsovereenkomst is eerst voor de duur van twaalf maanden en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. Werknemer vervulde laatstelijk de functie van topstylist. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen dat luidt als volgt: “Werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever na beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedurende een tijdvak van 6 maanden, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven of mede drijven of doen drijven, hetzij direct hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandelen te hebben binnen een straat van 10 kilometer waar werkgever gevestigd is.” Op 24 februari 2024 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst per 1 april 2024 opgezegd. Bij e-mailbericht van 27 september 2024 heeft de gemachtigde van werkgever werknemer onder meer het volgende bericht: “Naar cliënte inmiddels is gebleken heeft u vanaf 16 september 2024 een eigen kapsalon met de naam [X] opgericht. Hieruit voort u concurrerende werkzaamheden uit. Dit is binnen de straal 10 kilometer. U overtreedt daarmee het concurrentiebeding.”
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het concurrentiebeding geldig is overeengekomen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de onderneming van werknemer een concurrerende onderneming is die binnen de in het concurrentiebeding genoemde straal is gelegen. Dat werknemer deze onderneming is gestart gedurende de looptijd van het concurrentiebeding is echter wel in geschil. De kantonrechter is van oordeel dat niet vast komt te staan dat het concurrentiebeding is overtreden. Daarbij is van belang dat weliswaar blijkt dat werknemer voorbereidende handelingen heeft verricht voor het starten van de onderneming, maar niet dat hij daadwerkelijk voor het aflopen van het beding concurrerende werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter overweegt verder nog het volgende. De rechter kan een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld (art. 7:653 lid 3 sub b BW). De kantonrechter is van oordeel dat voor zover al sprake is van overtreding van het beding het concurrentiebeding gedeeltelijk vernietigd dient te worden, in die zin dat het beding wordt beperkt tot een straal van 5 kilometer. Gelet op het grote aantal kapperszaken, het feit dat werknemer geen specialistische kennis bij werkgever heeft opgedaan en de locatie van werkgever in het centrum van Nijmegen, wordt werknemer naar het oordeel van de kantonrechter in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever onbillijk benadeeld door een beding met een straal van 10 kilometer, dat is tot zelfs buiten Nijmegen. Het enkele feit dat werknemer trainingen heeft gevolgd die iedere kapper had kunnen volgen, maakt niet dat er sprake is van een te beschermen bedrijfsdebiet. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werknemer onbillijk wordt benadeeld indien hij in een straal van meer dan vijf kilometer vanaf het vestigingsadres van werkgever geen concurrerende werkzaamheden uit mag voeren. De kantonrechter zal het beding daarom gedeeltelijk vernietigen.
