Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3539
Loonvordering in kort geding afgewezen. Uit feiten en omstandigheden heeft werkgever mogen opmaken dat werkneemster uit onvrede over duur contractverlenging en hoogte loonsverhoging haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

Feiten

Werkneemster is op 17 juni 2024 als tandartsassistente in dienst getreden bij (de tandartspraktijk van) werkgeefster. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep af op 31 december 2024. Vervolgens hebben partijen de arbeidsovereenkomst voortgezet voor de duur van zes maanden (tot en met 30 juni 2025) met een loonsverhoging van 3 procent. Werkneemster heeft op 27 januari 2025 mondeling aan werkgeefster medegedeeld dat zij haar arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. Op 28 januari 2025 heeft werkneemster aan werkgeefster schriftelijk bericht de samenwerking per 1 februari 2025 te beëindigen. Diezelfde dag heeft werkgeefster schriftelijk aangegeven akkoord te gaan met het ontslag, maar werkneemster wel aan de wettelijke opzegtermijn te houden. Op 29 januari 2025 heeft werkneemster aan het einde van de dag haar kleren afgegeven bij de hoofdassistente met de mededeling dat zij niet meer zou komen werken en heeft zij werkgeefster uit een vergadering gehaald om afscheid te nemen. De advocaat van werkneemster heeft op 18 februari 2025 aan werkgeefster laten weten dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode. Werkneemster heeft bij de voorzieningenrechter betaling van het loon over de maanden maart tot en met juni 2025 gevorderd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van werkneemster afgewezen. Daartoe oordeelde de voorzieningenrechter dat alle mededelingen en handelingen van werkneemster erop waren gericht de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. De vraag die inhoudelijk voorligt in hoger beroep, is of werkneemster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Allereerst is van belang dat de tekst van het mailbericht van werkneemster van 28 januari 2025 op zichzelf voldoende duidelijk is. Voor zover werkneemster zich erop beroept dat haar werkgeefster er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij daadwerkelijk wilde opzeggen, blijkt dat onvoldoende uit de vaststaande feiten en omstandigheden. Op de zitting in eerste aanleg heeft werkneemster desgevraagd toegelicht dat zij heeft opgezegd omdat ze een jaarcontract wilde, dat haar dat eerder mondeling ook was toegezegd (hetgeen werkgeefster op dezelfde mondelinge behandeling heeft betwist) en ze het niet eens was met de zes maanden verlenging en drie procent loonsverhoging. Collega’s hebben haar de dag erna nog geprobeerd over te halen om te blijven, maar werkneemster heeft haar werkkleren afgegeven bij de hoofdassistente met de mededeling dat ze niet meer zou komen werken en afscheid genomen van werkgeefster. Direct daarop heeft werkneemster zich ziek gemeld. Uit deze feiten en opstandigheden heeft werkgeefster mogen opmaken dat werkneemster uit onvrede haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Alles duidt erop dat zij meteen wilde stoppen met werken en niet nog een maand wilde komen. Werkgeefster heeft ook de ziekmelding in dit licht mogen begrijpen. Kort en goed had - indien zij niet de wil had om op te zeggen - van werkneemster mogen worden verwacht dat zij op enig moment vlak na de opzegging zou hebben gemeld dat zij de wil om op te zeggen niet heeft gehad, maar dat zij wilde blijven werken, zeker nu zij in elk geval al vlak na de opzegging werd bijgestaan door een advocaat. Nu dat niet is gebeurd, zij enkel aanspraak heeft gemaakt op salarisbetaling en alle uitingen van werkneemster erop waren gericht dat zij per direct wilde stoppen met werken, heeft werkgeefster de uit haar verklaring blijkende wil om op te zeggen niet in twijfel hoeven trekken. Gelet daarop rustte op werkgeefster, anders dan werkneemster betoogt, evenmin een (bijzondere) onderzoeksplicht of zij daadwerkelijk wilde opzeggen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.