Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 16 december 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2658
Feiten
United Fashion Benelux V.O.F. (hierna: UFB) verkoopt kleding onder de naam Style Italy met vestigingen in Den Haag, Amsterdam en Beverwijk. Werkneemster is op 5 september 2018 bij UFB in dienst getreden. Vanaf 1 april 2020 heeft zij feitelijk geen werkzaamheden meer verricht voor UFB. UFB heeft aangifte van verduistering gedaan tegen werkneemster, gepleegd in de periode van november 2018 tot en met maart 2020. In deze zaak vordert UFB veroordeling van werkneemster tot betaling aan UFB van € 33.856,57. Aan deze vordering legt UFB ten grondslag dat werkneemster onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door verduistering te plegen. Volgens UFB bleek uit de verkooplijsten en -bonnen dat werkneemster structureel bij contante betalingen enorme kortingen bij de verkopen had ingevoerd, bijvoorbeeld door een broek met een verkoopwaarde van € 70 voor € 10 te verkopen. Dit was in strijd met het verkoopbeleid. Als dit soort kortingen inderdaad aan klanten gegeven zou worden, zou heel Den Haag naar de winkel zijn gekomen, aldus steeds UFB. Dit is niet gebeurd en daaruit leidt UFB af dat werkneemster de kleding feitelijk voor de normale prijs verkocht en de korting in haar eigen zak stak. In eerste aanleg is de vordering van UFB afgewezen, omdat de conclusie van UFB naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd is. Tegen deze beslissing komt UFB op in hoger beroep. In een tussenberschikking heeft het hof geoordeeld dat voorlichting door een deskundige wenselijk is alvorens verder te kunnen oordelen in deze zaak. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de voorlopig geformuleerde vraagstelling. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Nadat het hof partijen gelegenheid had gegeven zich uit te laten over het voornemen tot deskundigenbenoeming in verband met een fraudeonderzoek, heeft het hof een deskundige benaderd. De benoemde deskundige heeft een geregistreerd IT-Auditor RE CISSP gehanteerd. Zijn reactie op dit punt mondt uit in de volgende conclusie: De IT-Auditor geeft aan dat er nimmer een antwoord op de subvraag over manipulatie kan worden verkregen. Er zal altijd een mogelijkheid bestaan waarbij de waarschijnlijkheid hoog of laag is afhankelijk van de aangetroffen situatie. Als gezegd heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich in verband met het bericht van de deskundige uit te laten over de verdere voortgang van de procedure. UFB heeft vervolgens in haar akte laten weten dat er wat haar betreft naar een andere deskundige gezocht dient te worden die de opdracht wel kan uitvoeren. Het belang dat wordt vastgesteld dat de gegevens waarop werkgeefster haar vordering heeft gebaseerd, betrouwbaar zijn, is evident. Zoals besloten ligt in het tussenarrest van 4 juni 2024, kan tegenover het verweer van werkneemster het bewijs daarvan niet worden aangenomen op basis van de stukken. Het is juist UFB die een en andermaal heeft aangedrongen op de inschakeling van een door de rechter benoemde deskundige. Het hof begrijpt het bewijsaanbod van werkgeefster bij memorie van grieven ook in die zin. Ook ter zitting in hoger beroep is namens UFB het voorstel gedaan een IT-deskundige aan te wijzen om de mogelijkheid van manipulatie van het kassasysteem uit te sluiten. Ten slotte doet UFB ook in haar laatste akte het voorstel tot een deskundigenonderzoek.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. UFB gaat met geen woord inhoudelijk in op de bevindingen van de deskundige, die in hoge mate gegrond zijn op de opinie van een IT-deskundige. Wanneer UFB het niet eens zou zijn met de bevindingen van de deskundige, had het op haar weg gelegen om dit toe te lichten. Dat heeft UFB niet gedaan. UFB heeft evenmin toegelicht dat (en waarom) aan de bevindingen van de deskundige voorbij moet worden gegaan. Het hof gaat daarom uit van de (onbestreden) bevindingen van de deskundige, naar de kern genomen inhoudend dat een kassasysteem altijd te manipuleren is. Dat brengt mee dat de stelling van UFB dat het werkneemster was die heeft gefraudeerd, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Hiermee strandt haar vordering. Het hof overweegt ten overvloede dat het in het bewijsaanbod van UFB bij memorie van grieven geen aanbod leest tot het leveren van bewijs door middel van getuigen. Zij heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien in haar laatste akte zodanig bewijs aan te bieden. Het hof ziet evenmin aanleiding ambtshalve een bewijsopdracht te geven. Hierop stuiten de grieven af, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. UFB wordt in de proceskosten veroordeeld.
