Naar boven ↑

Rechtspraak

eisers/gedaagden
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 3 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:14013
Regresvordering na burenruzie faalt – arbeidsongeschiktheid voor directeursfunctie niet bewezen en het door verzekeraar uitgekeerde bedrag overtreft de betaalde nettoloonsom.

Feiten

A is een houdster- en financieringsmaatschappij. Meerlanden is een aannemersbedrijf actief in de grond-, weg- en waterbouw. X is enig bestuurder en enig aandeelhouder van A. A is op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder van Meerlanden. X heeft twee arbeidsovereenkomsten: één met A (als titulair/statutair directeur) en één met Meerlanden (als uitvoerder/projectleider). In beide arbeidsovereenkomsten is loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid overeengekomen. In de arbeidsovereenkomst met Meerlanden is daarnaast bepaald dat uitkeringen uit verzekeringen of fondsen in mindering komen op het verschuldigde loon (art. 10 lid 5 sub a). In zijn hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van A heeft X bij ASR een individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten ter dekking van loondoorbetalingsverplichtingen bij ziekte/arbeidsongeschiktheid van hemzelf als werknemer (functie: interim- en projectmanager). X en zijn echtgenote waren buren van gedaagden. Na een langdurige burenruzie over parkeren heeft op 3 september 2021 een confrontatie plaatsgevonden tussen X en gedaagde 1, waarbij X ernstig beenletsel opliep door een val tegen een glazen vaas, waardoor glas in zijn been terechtkwam. Gedaagde 1 is in een strafrechtelijke procedure veroordeeld voor mishandeling van X en gedaagde 2 voor medeplichtigheid. ASR heeft de arbeidsongeschiktheid van X met ingang van 3 september 2021 vastgesteld op 80-100% (100% uitkering), vervolgens vanaf 11 oktober 2021 op 45-55% (50% uitkering), later dalend naar 40%, en tot 30 november 2022 als einddatum van de arbeidsongeschiktheid. Een controlerend arts noteert in juli 2022 – op basis van de mededelingen van X – klachten passend bij PTSS en fysieke beperkingen. ASR heeft, gerelateerd aan de vastgestelde percentages, een deel van de nettoloonsom vergoed. Eisers (namelijk A en Meerlanden) hebben gedaagden aansprakelijk gesteld voor de schade wegens loondoorbetaling tijdens de arbeidsongeschiktheid van X, verminderd met de AOV-uitkering. Daarnaast vordert A vergoeding van extra premielasten door verlies van no-claimkorting op de AOV. Zij baseren zich op de strafrechtelijke veroordeling, artikel 161 Rv (dwingend bewijs van de bewezenverklaarde feiten), artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en artikel 6:166 BW (hoofdelijke aansprakelijkheid) en artikel 6:107a lid 2 BW (regresrecht van de werkgever op de aansprakelijke derde voor doorbetaald loon).

Oordeel

In de civiele procedure staat vast dat gedaagden jegens X onrechtmatig hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en voor zijn schade aansprakelijk zijn. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het regresrecht van de werkgevers ex artikel 6:107a lid 2 BW. Dit recht strekt zich uitsluitend uit tot het netto doorbetaalde loon tijdens arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 7:629 BW en omvat niet bijkomende kosten zoals hogere verzekeringspremies door verlies van no-claimkorting. De vordering van A tot vergoeding van extra premiekosten wordt daarom afgewezen. Voor zover A deze vordering ook op onrechtmatige daad baseert, faalt deze eveneens, omdat het incident zijn oorsprong heeft in een privéburenruzie en zich niet richtte tegen A of Meerlanden als vennootschap.

Ten aanzien van het door A gevorderde nettoloon oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat X daadwerkelijk arbeidsongeschikt was voor zijn bestuurlijke werkzaamheden als titulair/statutair directeur. Er is met name geen medische diagnose van PTSS of andere psychische beperkingen overgelegd, terwijl die – gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagden – wel verwacht mocht worden. De controlerend arts van ASR baseerde zijn oordeel over PTSS-beperkingen op een onjuiste voorstelling van de feiten door X (messteek, bijna doodbloeden), zodat daaraan beperkt bewijswaarde toekomt. Nu arbeidsongeschiktheid voor de werkzaamheden bij A niet is komen vast te staan, is er geen doorbetaling van loon in de zin van artikel 6:107a BW en dus geen regresgrond. De vorderingen van A worden afgewezen.

Voor Meerlanden geldt dat zij wel loon heeft doorbetaald, maar dat op grond van artikel 10 lid 5 van de arbeidsovereenkomst de AOV-uitkering van ASR in mindering komt op het verschuldigde loon. De rechtbank acht, mede op basis van de ASR-stukken, aannemelijk dat de AOV-uitkering mede zag op de werkzaamheden van X als interim-/projectmanager/meewerkend leidinggevende in de wegenbouw, dus op de functie bij Meerlanden. Het door ASR uitgekeerde bedrag van € 14.352,16 overtreft de door Meerlanden betaalde nettoloonsom (€ 11.211,28), zodat per saldo geen schade resteert. Daarmee ontbreekt ook voor Meerlanden de financiële grondslag voor een regresvordering ex artikel 6:107a BW. De rechtbank concludeert dat alle vorderingen van eisers worden afgewezen.