Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 18 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:24716
Feiten
Werknemer is per 1 juni 2023 in dienst getreden bij ZTK Specialistische Schoonmaak B.V. (hierna: ZTK). Vanaf oktober 2023 heeft werknemer zelf zijn gewerkte uren bijgehouden. Alleen over december 2024 heeft werknemer een loonstrook ontvangen. In juli 2025 heeft ZTK werknemer geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst beëindigd was. Werknemer vordert nakoming van de voor onbepaalde tijd durende arbeidsovereenkomst, toelating tot de werkvloer, betaling van achterstallig loon, en een aantal daaraan gerelateerde vorderingen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter overweegt dat werknemer er belang bij heeft om arbeid te verrichten, daarvoor loon te ontvangen en om duidelijkheid over zijn dienstverband en betalingen te verkrijgen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de spoedeisendheid van de belangen van werknemer voortvloeit uit de aard van zijn vorderingen. Op grond van artikel 7:686a lid 4 BW vervalt de bevoegdheid om dat verzoek te doen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Omdat ZTK de arbeidsovereenkomst op 7 juli 2025 heeft opgezegd, was die vervaltermijn op de zitting van 4 september 2025 bijna verstreken. Namens werknemer is ter zitting aangegeven dat er geen procedure tot vernietiging is ingesteld. Bij die stand van zaken kan de kantonrechter in dit kort geding niet op een vernietiging van de opzegging vooruitlopen. De eerste twee vorderingen van werknemer worden dan ook afgewezen. ZTK erkent dat zij die loonstroken en jaaropgaven niet heeft verstrekt, op de loonstrook van december 2024 na. Zij stelt die stukken wel over te willen leggen, maar dat zij die niet van haar boekhouder verstrekt krijgt. De kantonrechter overweegt dat ZTK als werkgever op grond van artikel 7:626 BW de loonstroken aan werknemer moet verstrekken. Datzelfde geldt voor de jaaropgaven, op grond van artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964. Door dat niet te doen schiet ZTK tekort in haar verplichtingen als werkgeefster. De vordering tot verstrekking van de loonstroken, jaaropgaven en, voor zover de loonstroken daarin niet mochten voorzien, bruto-nettospecificaties wordt daarom toegewezen. De vorderingen tot nakoming van de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing verklaarde cao worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd welke arbeidsvoorwaarden partijen zijn overeengekomen. Met betrekking tot de gevorderde betalingen overweegt de kantonrechter dat werknemer ook onvoldoende heeft onderbouwd wat ZTK wel en niet aan hem heeft uitbetaald. Zo vermeldt het enige loonstrookje van december 2024 dat er wel vakantiegeld is gereserveerd en pensioenpremie is ingehouden en uit de brief van 21 juli 2025 namens werknemer blijkt dat hij over het jaar 2023/2024 gedeeltelijk vakantiegeld heeft ontvangen. Bovendien heeft werknemer gesteld dat hij voor al zijn gewerkte uren is uitbetaald, zodat van achterstallig loon geen sprake lijkt te zijn. Daarbij is van belang dat werknemer de door hem gevorderde voorschotbedragen van € 15.000 en € 7.500 op geen enkele wijze in de dagvaarding heeft onderbouwd en dat zijn gemachtigde ter zitting heeft erkend dat de bedragen niet op concrete berekeningen zijn gebaseerd. De vordering en de omvang daarvan zijn dus niet aannemelijk geworden, zodat niet aan de vereisten voor een geldvordering in kort geding is voldaan. Partijen zijn over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De kantonrechter overweegt echter dat de afwijzing van de vorderingen van werknemer tot betaling en nakoming grotendeels is veroorzaakt omdat ZTK de benodigde duidelijkheid over werknemers arbeidsvoorwaarden en ontvangen betalingen al tijdens de duur van het dienstverband niet heeft verstrekt, terwijl zij daartoe wel is verplicht. Daarom wordt ZTK veroordeeld in de proceskosten.
