Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 oktober 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:8151
Feiten
Werkneemster is sinds 2021 in dienst van een pgb-houder. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er vanaf september 2023 tot en met 13 maart 2024 een verlenging van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens werkneemster is dit het geval, maar kreeg zij niet betaald en heeft zij zich per 29 september 2023 ziekgemeld. Volgens de pgb-houder is dit niet het geval omdat zij geen werkzaamheden meer heeft verricht.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Verklaring sociaal raadsman en digitaal ondertekend zorg-arbeidscontract met terugwerkende kracht wijzen op verlenging pgb-arbeidsovereenkomst
Uit de door werkneemster overgelegde stukken volgt dat op 6 oktober 2023 digitaal een nieuwe zorg-arbeidsovereenkomst is getekend door zowel werkneemster als de pgb-houder voor de duur van zes maanden en dat deze is goedgekeurd door het Zorgkantoor. De ondertekening hiervan wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van de sociaal raadsvrouw van het Buurtteam, die door werkneemster is ingeschakeld. Uit die verklaring volgt dat partijen op 6 oktober 2023 telefonisch hebben afgesproken dat de verlengingsovereenkomst alsnog zou worden ondertekend door beide partijen zodat werkneemster uitbetaald zou kunnen worden. De kantonrechter maakt hieruit op dat het de bedoeling van partijen was om met terugwerkende kracht de arbeidsovereenkomst te verlengen. De kantonrechter heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring, omdat het hier gaat om een onafhankelijke verklaring van de sociaal raadsvrouw die er geen belang bij heeft om haar verklaring te kleuren.
Matiging loonvordering
De kantonrechter ziet aanleiding, gelet op de particuliere aard van de arbeidsovereenkomst, om de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW te matigen tot 10%.
