Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 9 december 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:7820
Feiten
Appellant is per 2008 in dienst getreden bij de gemeente Meppel (hierna: Meppel). In 2023 is de arbeidsovereenkomst geëindigd omdat werknemer de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Bij het einde van het dienstverband had appellant nog 472,85 verlofuren niet genoten. Die verlofuren zijn aan hem door de Gemeente uitbetaald op basis van het salaris dat appellant laatstelijk verdiende bij de Gemeente. Bij brief van 21 november 2023 heeft appellant aan de Gemeente meegedeeld dat ook de waarde van het IKB en de waarde van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie meegenomen dienen te worden in de waarde van een verlofdag. Toen bleek dat het afdragen van pensioenpremie niet meer mogelijk was omdat het dienstverband geëindigd was, heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat het werkgeversgedeelte niet meetelt bij de berekening van de waarde van een vakantiedag. Bij de kantonrechter heeft de werknemer betaling van een bedrag van bijna € 3.000 aan salaris gevorderd. De vordering is afgewezen. Daarbij heeft appellant de grondslag van zijn vordering uitgebreid, in die zin dat hij subsidiair aanspraak maakt op uitbetaling van een (schade)vergoeding gelijk aan het werkgeversdeel van de pensioenpremie en meer subsidiair die aanspraak grondt op de redelijkheid en billijkheid. Hij voert daarvoor aan dat als het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet behoort tot uit te betalen loon voor niet genoten vakantiedagen, sprake is van een situatie bedoeld in artikel 6:78 BW en dat hij dan met toepassing van de regels van ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op vergoeding van zijn nadeel tot het bedrag van de verrijking van de Gemeente.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Er bestaat tussen partijen geen verschil van mening over dat bij toepassing van de hiervoor vermelde uitgangspunten, de werknemer bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband, ook aanspraak heeft op uitbetaling van het door de werkgever op het loon ingehouden bedrag aan werknemersbijdrage in de pensioenpremie.
Waar zij van mening over verschillen, is of appellant ook aanspraak heeft op uitbetaling van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie. Volgens appellant behoort ook die waarde tot het loon waarop aanspraak bestaat bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking. De Gemeente betwist dat. De vraag of het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie deel uitmaakt van het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband is eerder door dit hof beantwoord, laatstelijk in een uitspraak van 7 augustus 2018 ( ECLI:NL:GHARL:2018:7137). Toen heeft het hof geoordeeld dat het werkgeversgedeelte niet behoort tot dat loon. Er is na voormelde uitspraak geen jurisprudentie ontstaan die aanleiding geeft om terug te komen op de uitspraak uit 2018. Nadien hebben de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet behoort tot het loon waarop aanspraak bestaat in geval van uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:78 BW ter hoogte van het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de niet genoten vakantiedagen bestaat geen grond. Van een door de Gemeente genoten voordeel ten gevolge van een tekortkoming is geen sprake. Appellant wordt in de proceskosten veroordeeld.
