Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 oktober 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:8126
Feiten
Werknemer is sinds 2 september 2013 in dienst bij GVB Exploitatie B.V. (hierna: GVB). Zijn huidige functie is die van monteur C. Werknemer heeft zich begin 2022 ziekgemeld als gevolg van een gok- en middelenverslaving. Op 12 oktober 2022 hebben GVB en werknemer een verslavingsconvenant gesloten, waarin staat dat partijen rekening houden met een terugval van werknemer en dat, als hij daarvan voor aanvang van de werkzaamheden melding maakt, dit bij een eerste terugval niet zal leiden tot maatregelen. Op 28 september 2023 kon werknemer weer volledig aan het werk in zijn eigen functie. Van 27 tot en met 29 juli 2024 was werknemer ziek. Op 31 juli 2024 heeft GVB aan werknemer gevraagd mee te werken aan een controle om het gebruik van middelen uit te sluiten. Werknemer heeft toen erkend dat er sprake is van een terugval in middelengebruik. Op 7 augustus 2024 heeft werknemer zich wederom ziekgemeld, waarna hij bij verschillende instellingen/klinieken behandelingen heeft ondergaan voor zijn middelengebruik. GVB verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer als gevolg van zijn verslaving arbeidsongeschikt is. GVB stelt allereerst dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door zich niet aan zijn re-integratieverplichtingen te houden. GVB verwijt hem dat hij de afspraak tussen partijen dat hij een terugval voorafgaand aan zijn werkzaamheden bij zijn leidinggevende meldt, niet is nagekomen. De vraag is echter of deze afspraak een re-integratieverplichting is. Deze vraag beantwoordt de kantonrechter negatief. Een re-integratieverplichting is erop gericht dat een zieke werknemer door het nakomen van deze verplichting weer zal herstellen van zijn ziekte en kan terugkeren in zijn functie. De afspraak dat werknemer het meldt als er sprake is van een terugval of middelengebruik is daar niet op gericht. Ook nadat werknemer weer volledig inzetbaar was, bleef deze afspraak immers van kracht. De meldafspraak kan dus niet als een re-integratieverplichting in de zin van artikel 7:660a BW worden gezien. Bovendien volgt uit het deskundigenoordeel van 27 augustus 2025 dat de re-integratie-inspanningen van werknemer over de periode 27 juli 2024 tot 24 juni 2025 (datum aanvraag deskundigenoordeel) voldoende waren. Het ontslagverbod wordt derhalve niet doorbroken op de grond van artikel 7:670a BW. Het niet melden van een terugval of middelengebruik hangt zodanig samen met de ziekte van werknemer dat niet kan worden vastgesteld dat hij zich (ernstig) verwijtbaar heeft gedragen op gronden die niet samenhangen met de ziekte. Hij heeft voldoende onderbouwd dat het hem vanwege de aard en de ernst van zijn verslaving, niet verweten kan worden dat hij deze afspraak niet is nagekomen, omdat het niet nakomen van afspraken bij verslaving, mede vanwege de schaamte hiervoor, een gevolg is van de verslaving zelf. De verzochte ontbinding op de e-grond wordt dan ook afgewezen. De verwijten die GVB aan werknemer maakt in het kader van de gestelde verstoring van de arbeidsverhouding, houden eveneens verband met de verslavingsproblematiek van werknemer en dus met zijn ziekte. De uitzondering van artikel 7:671b lid 6 BW is niet aan de orde. Dit betekent dat er ook een opzegverbod geldt ten aanzien van de verzochte ontbinding vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Afwijzing van het ontbindingsverzoek volgt.
