Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6720
Feiten
Werknemer werkt sinds 6 december 2021 bij werkgeefster. Op 25 januari 2023 heeft werknemer zich ziek gemeld. In de periode van 27 januari 2025 tot 23 juni 2025 heeft werkgeefster het loon niet betaald. Op 1 september 2025 heeft werkgeefster opnieuw de loonbetaling gestaakt. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werknemer betaling van een bedrag van € 17.325 aan achterstallig loon, vermeerderd met vakantiegeld, betaling van toekomstig loon en nevenvorderingen. Werknemer voert daarbij aan dat werkgeefster ten onrechte het loon niet heeft betaald. Verder voert werknemer aan dat werkgeefster het loon niet heeft stopgezet, maar heeft opgeschort.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het loon terecht heeft stopgezet. Tijdens de periode van ziekte van werknemer zijn de rapportages van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige bepalend bij het vaststellen van de belastbaarheid van de werknemer en de arbeidsmogelijkheden die daarbij passen. Er komt dus groot gewicht toe aan wat de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige hierover hebben geadviseerd aan de werkgever. De bedrijfsarts heeft in zijn rapportage van 31 oktober 2024 aan werkgeefster gemeld dat de beperkingen van werknemer sterk zijn verbeterd en hij naar verwachting voor einde wachttijd volledig hersteld zal zijn. Ook in het arbeidsdeskundig rapport van het UWV staat dat eigen aangepast werk aanwezig is bij werkgeefster. Daarnaast heeft de bedrijfsarts op 7 augustus 2025 een opbouwschema met werkhervatting gegeven. Werkgeefster heeft werknemer vervolgens, in overeenstemming met de adviezen van de bedrijfsarts en het UWV, in de gelegenheid gesteld passende arbeid te verrichten. Werknemer heeft de passende werkzaamheden echter niet uitgevoerd terwijl nergens uit blijkt dat hij een deugdelijke grond had om deze te weigeren. Werkgeefster mocht derhalve het loon op grond van artikel 7:629 lid 3 sub c BW stopzetten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan er bovendien geen misverstand over bestaan dat werkgeefster daadwerkelijk het loon heeft willen stopzetten, nu zij werknemer expliciet heeft verwezen naar artikel 7:629 lid 3 sub c BW en de daarin genoemde sanctie waarbij werknemer zijn aanspraak op loon verliest als hij zonder geldige reden geen passende werkzaamheden verricht. Het verweer van werknemer dat werkgeefster het loon niet heeft stopgezet, maar heeft opgeschort, gaat dus niet op. De conclusie is dan ook dat de vorderingen van werknemer worden afgewezen.
