Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6696
De kantonrechter wijst de vorderingen van werknemer af omdat hij nog niet volledig arbeidsgeschikt is en niet aannemelijk is dat de backofficewerkzaamheden reeds de bedongen arbeid zijn geworden.

Feiten

Werknemer werkt sinds 6 december 2004 bij (de rechtsvoorganger van) werkgever. Vanaf 1 januari 2013 heeft hij de functie van conciërge. Op 21 maart 2023 heeft werknemer zich ziekgemeld vanwege hartklachten. Op 3 juli 2024 heeft werknemer zich ziekgemeld in verband met de diagnose darmkanker. Na de eerste ziekmelding is werknemer in oktober 2023 gestart met de opbouw van werkzaamheden in zijn functie als conciërge met een aangepast takenpakket. Werknemer liep daarbij mee met zijn collega A. Na de tweede ziekmelding is werknemer in november 2024 gestart met een opbouw in aangepaste eigen taken onder leiding van B, operationeel coördinator van de afdeling Facilitair en Huisvesting bij werkgever. Werknemer heeft uit het door B op 16 april 2025 voor hem opgestelde opbouwschema afgeleid dat hij per 2 juni 2025 fulltime aan het werk kan zijn in de functie van backofficemedewerker, wat volgens werknemer wordt bevestigd in het e-mailbericht van B van 20 mei 2025. Ook de arbeidsdeskundige van de ARBO-dienst heeft in haar rapportage van 7 juli 2025, aangepast op 14 juli 2025, gezegd dat werknemer vanaf 2023 in de praktijk de nieuw bedongen arbeid van medewerker backoffice verricht. Werkgever is het niet eens met werknemer en voert aan dat werknemer tot op heden niet volledig arbeidsgeschikt is voor alle werkzaamheden die horen bij de functie conciërge C. Het is dus terecht dat er nog een inhouding op zijn loon plaatsvindt. Gezien de adviezen van de bedrijfsarts met een positieve prognose in de eigen functie, mag van werknemer verwacht worden dat hij, naast administratieve werkzaamheden, ook weer werkzaamheden in de frontoffice gaat doen, zoals baliewerkzaamheden. De backofficewerkzaamheden zijn de aangepaste arbeid in het kader van re-integratie en niet de bedongen arbeid. Bovendien bestaat de functie medewerker backoffice niet binnen werkgever, zo stelt werkgever. Er is een impasse ontstaan en werknemer heeft in kort geding gevorderd dat werkgever hem toelaat tot de werkzaamheden van medewerker backoffice voor 40 uren per week en een (voorschot) op zijn (ingehouden) volledige loon.

Oordeel

Bekeken moet worden of de bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat werknemer 100% arbeidsgeschikt is. Dat is niet het geval. In de rapportage van de bedrijfsarts van 18 juli 2025 staat dat werknemer op dat moment 32 uur werkt en in de rapportage van 11 september 2025 staat 28 uur. De bedrijfsarts heeft wel meerdere keren aangegeven dat werknemer kan opbouwen tot volledige contracturen op basis van de vastgestelde belastbaarheid, maar niet is gesteld of gebleken dat werknemer inmiddels 40 uur werkt. Overigens heeft ook de arbeidsdeskundige overwogen dat de door werknemer gewenste functie van medewerker backoffice niet volledig passend is gezien de urenopbouw. De vordering van werknemer om hem toe te laten tot die werkzaamheden op basis van 40 uur per week is dus prematuur. Datzelfde geldt voor het gevorderde voorschot op het ingehouden loon. Hoewel de eisen van werknemer reeds afstuiten op de omstandigheid dat hij (nog) niet 40 uur per week werkzaam is, overweegt de kantonrechter - ten overvloede - dat er op dit moment nog te veel onduidelijk is om op voorhand te kunnen concluderen dat de verrichte werkzaamheden in de backoffice de bedongen werkzaamheden zijn geworden, waaraan werknemer (de gevorderde) rechten zou kunnen ontlenen. De vraag of de taken die werknemer tijdens zijn re-integratie heeft uitgevoerd de bedongen arbeid zijn geworden is op dit moment niet te beantwoorden zonder het deskundigenoordeel van de arbeidsdeskundige en nader onderzoek. Voor zo’n onderzoek is in een kortgedingprocedure geen plaats. Dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen is dus op voorhand onvoldoende aannemelijk en de kantonrechter kan hier niet op vooruitlopen door de gevraagde voorzieningen te treffen. De vorderingen zijn ook om deze reden niet toewijsbaar.