Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 15 oktober 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:7340
Feiten
Werknemer is op 30 maart 1982 in dienst getreden bij werkgever. Hij is werkzaam in de functie van senior verpakkingsontwerper voor 36 uur per week tegen een basisloon van € 5.031,37 per maand. Op de arbeidsovereenkomst is een bedrijfs-cao van toepassing (hierna te noemen: de cao). Het geschil tussen partijen betreft de uitleg en toepassing van de cao zoals deze gold tot en met 2021. Meer specifiek ziet het geschil op de arbeidsduur en het verlof (en de verwerking van leeftijdsuren). Werknemer vordert – samengevat – werkgever te veroordelen tot een correctie van het aantal vakantie-uren en hem in de gelegenheid te stellen deze binnen redelijke termijn te genieten. Werkgever concludeert in conventie tot niet-ontvankelijkheid van werknemer, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, en in reconventie vordert werkgever voorwaardelijk een verklaring voor recht dat hij bevoegd is om de eventueel gecorrigeerde vakantie-uren als minsaldo in TVT-uren in te boeken en om werknemer voor dat aantal uren extra in te roosteren. In het tussenvonnis van 11 juni 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat de cao zo moet worden uitgelegd dat voor werknemer een nettojaarurennorm geldt van 1654 uur minus het toepasselijke aantal leeftijdsuren. Vervolgens is werkgever in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit volgt of en zo ja hoe werkgever hieraan uitvoering heeft gegeven (AR 2025-1152).
Oordeel
De kantonrechter oordeelt ten aanzien van de door werkgever overgelegde stukken als volgt. In het tussenvonnis van 11 juni 2025 heeft de kantonrechter vier rekenvoorbeelden toegelicht waarvan een slechts leidde tot de juiste uitkomst (rekenvoorbeeld a). Uit de stukken van werkgever blijkt een vijfde berekeningswijze. Hoewel werkgever een andere methode heeft gekozen dan rekenvoorbeeld a, is de uitkomst van deze twee berekeningen wel hetzelfde. Dat werkgever een andere rekenmethode heeft gebruik is dus niet doorslaggevend. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat werkgever de vordering van werknemer dat hij op grond van een onjuiste verwerking van zijn leeftijdsuren nog recht heeft op de uitbetaling van een aantal tijd-voor-tijduren met zijn akte met productie na tussenvonnis voldoende gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft werknemer zijn (gewijzigde) vordering onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst de (gewijzigde) vordering van werknemer af.
