Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 3 december 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:6983
Werknemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met werkgeefster een 40-urige werkweek is overeengekomen en dat hij in de periode voorafgaand aan zijn ziekmelding gemiddeld 15 overuren per maand heeft gewerkt. Werknemer heeft recht op betaling van achterstallig loon en loon tijdens arbeidsongeschiktheid.

Feiten

Werknemer is op 18 augustus 2025 in dienst getreden bij werkgeefster op grond van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor de duur van een jaar. Na zes weken werkzaamheden te hebben verricht, heeft werknemer zich ziekgemeld. Werknemer heeft geen loon van werkgeefster ontvangen, zowel voor de gewerkte periode als voor de periode van arbeidsongeschiktheid. In onderhavige procedure vordert werknemer daarom betaling van het niet uitbetaalde loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en afgifte van bruto-nettospecificaties. Werkgeefster voert aan dat zij met werknemer geen 40 uur-contract is overeengekomen, zoals werknemer stelt, maar een min-max-contract en dat werknemer de door hem opgegeven overuren niet daadwerkelijk heeft gewerkt.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen een 40 uur-contract zijn overeengekomen. Werknemer heeft hiervoor namelijk onbetwist aangevoerd dat hij niet bij werkgeefster zou zijn gaan werken als hij geen contract voor 40 uur zou hebben gekregen, omdat hij dit bij zijn vorige baan ook had. Verder blijkt uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie tussen werknemer en de bestuurder van werkgeefster dat partijen expliciet hebben gesproken over een in de cao vermeld maandloon gebaseerd op een 40-urige werkweek en dat werknemer een gescande pdf per Whatsapp heeft gestuurd van een papieren contract dat uitgaat van een 40-urige werkweek. De bestuurder heeft niet aangegeven dat de aan hem verzonden pdf onjuist zou zijn. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door hem opgegeven overuren heeft gewerkt.  Werknemer heeft zijn stelling onderbouwd met overzichten van WhatsApp-gesprekken waaruit blijkt dat hij de door hem opgestelde urenoverzichten aan werkgeefster heeft toegestuurd. Werknemer heeft daarbij aangevoerd dat het gebruikelijk was om door hem zelf bijgehouden urenoverzichten te appen in de “uren”-app. Werkgeefster heeft deze werkwijze niet betwist. Wel heeft werkgeefster betwist dat werknemer de opgegeven overuren heeft gewerkt, maar dit heeft werkgeefster onvoldoende gemotiveerd. De kantonrechter wijst daarom de betaling van het achterstallig loon toe, vermeerderd met een (gematigde) wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente. Ook wijst kantonrechter de vordering tot betaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid toe. Voor de hoogte van dit loon (meer in het bijzonder: de berekening van de gemiddelde overuren) sluit de kantonrechter aan bij artikel 16 van de cao, dat de kantonrechter uitlegt aan de hand van de cao-norm. Gelet op deze uitlegmaatstaf ligt het volgens de kantonrechter voor de hand dat indien de werknemer minder dan 52 weken voor de ziekmelding in dienst is getreden, het gemiddeld aantal overuren wordt berekend over de periode vanaf indiensttreding tot ziekmelding en niet over een periode van 52 weken. Dit is volgens de kantonrechter ook in lijn met een arrest van het Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2006:AX9683). De kantonrechter overweegt dat werknemer dan gemiddeld meer dan 15 overuren per maand heeft gewerkt, die op grond van artikel 16 sub d van de cao moeten worden uitbetaald voor 130%. Het totale, bij arbeidsongeschiktheid uit te keren, maandloon stelt de kantonrechter vast op een bedrag van € 3.970,95. Dit bedrag is werkgeefster vanaf de ziekmelding aan werknemer verschuldigd tot het moment dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 18 augustus 2026.