Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 22 oktober 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:7175
Feiten
Partijen hebben een arbeids- en studieovereenkomst gesloten voor de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2025. Werkneemster heeft de opleiding rijinstructeur categorie BE gevolgd in de periode december 2023 tot en met januari 2024. Deze opleiding heeft werkgever betaald. Werkneemster heeft op 16 juli 2024 ontslag genomen en is per 1 september 2024 uit dienst getreden. Partijen zijn hierbij overeengekomen dat werkneemster een bedrag van € 9.212,13 moet terugbetalen, bestaande uit opleidingskosten rijbewijs BE en gemaakte kosten voor tussentijdse toetsen en praktijkexamens. Werkneemster komt haar terugbetalingsverplichting niet na. Werkgever vordert een bedrag van € 10.148,04. Partijen zijn geen termijn voor nakoming overeengekomen, waardoor de vordering volgens werkgever terstond opeisbaar is, in elk geval meteen na het eindigen van het dienstverband op 31 augustus 2024.
Oordeel
Werkneemster erkent de hoogte van de door werkgever gevorderde hoofdsom en wil graag een betalingsregeling treffen. De kantonrechter is van oordeel dat partijen alleen samen een betalingsregeling kunnen afspreken. Tegen de verschuldigdheid van de wettelijke (handels)rente heeft werkneemster verweer gevoerd, inhoudende dat de kosten voor de onderhavige procedure onnodig zijn gemaakt, waardoor de gevorderde wettelijke (handels)rente moet worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet. Werkneemster heeft de gevorderde hoofdsom erkend, zodat zij tevens wettelijke rente verschuldigd is over het openstaande bedrag. De persoonlijke omstandigheden van werkneemster, hoe betreurenswaardig deze ook mogen zijn, ontslaan haar niet van haar verplichtingen tegenover werkgever. De kantonrechter stelt vast dat werkneemster een consumente is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Werkgever heeft aan werkneemster een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door werkneemster. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
